Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,.\Vie was dan de jager, die mij het wildbraad gebracht heeft, eer gij kwaamt, en dien ik gezegend heb?" —

Op het vernemen van deze woorden weende Esau luid en smeekte: «Zegen ook mij. mijn vader!"

Isaak antwoordde: »Uw broeder is gekomen met bedrog en heelt uwen

zegen weggenomen." . .

Dal was eene oorzaak van diepe smart voor Esau, die zich hier hel slachtoller zag van zijns broeders lisl.

«Wel heeft Jacob mij tweemaal bedrogen," riep hij weenend uit; »nujn eerstgeboorterecht heeft hij mij ontroofd en nu neemt hij ook mijn zegen. Hierop smeekte bij zijn vader nogmaals dringend om ook hem te zegenen. «Hebt gij dan slechts één zegen, mijn vader?" riep hij. «zegen ook mij! en hij weende luid. #

Door de smeekingen zijns zoons bewogen richtte Isaak zich op en zegende Esau met deze woorden: «Zie, de vettigheden der aarde zullen uwe woning zijn; van uw zwaard zult gij leven en uw broeder zult gij dienen. Doch liet zal geschieden dat ook gij tot heerschappij komen en zijn juk van uw hals

schudden zult." ....

Zóó ging Esau gezegend van zijn vader weg. Maar in zijn hart droeg hij zijn broeder een doodelijken haat toe, dewijl deze hem bediogen had. Zelfs schroomde hij niet, zijn voornemen om Jacob te dooden zóó luide uil te spreken, dat zijne woorden aan Rebecea werden overgebracht. In haar angst riep zij heur lieveling lot zich, en beval hem naar Ilaran, ttiLjiaar broeder Laban te vluchten; daar moest hij blijven totdat Esau's gramschap bedaard was. dan zou zij hem doen terughalen. Ook Isaak wist zij voor haar plan te winnen. Deze riep zijn zoon Jacob, zegende hem en waarschuwde hem, geene vrouw uit de dochteren Kanaans te nemen, maar naar Mesopotamië te trekken en de hand van eene der dochters van Laban, zijn oom, te verwerven.

Jacob gehoorzaamde en aanvaardde den langen en moeitevollen tocht. Onderweg verscheen de Heer hem in een droom, terwijl hij in het open veld vernachtte. Een ladder reikte van den hemel tot de aarde, waarlangs Gods engelen opklommen en nederdaalden, en God verzekerde hem. dat Hij mei hem zijn en hem beschermen zou. Mei nieuwen moed bezield vervolgde Jacob des morgens zijne reis en bereikte gelukkig het doel \an zijn tocht, het vaderland van zijn grootvader.

Bij eene bron op liet veld waren herders met hunne kudden gelegerd. Op de vraag van waar zij waren, ontving Jacob het welkom antwoord: «Uit Haran."

«Kent gij Lnbnn. den zoon van Xahor. ook?

«Wij kennen hem zeer goed.

«Gaat hel hem wel?"

«Ja, zeer wel. Zie, daar koml zijne dochter Rachel met de schapen.

En terwijl bij nog met de knechten sprak, daar kwam eene schoone maagd Rachel, de dochter van Laban, met de schapen van haar vader aan. Ijlings spoedde Jacob zich naar de bron en wentelde den steen, die voor den mond lag weg. om de schapen van Laban te drenken. Hij kuste het jonge meisje en weende luid. terwijl hij haar mededeelde dat hij haar bloedverwant was. Verheugd liep zij heen, om haar vader die blijde tijding te brengen.

Nauwelijks hoorde Laban, dat de zoon zijner zuster in de nabijheid was, ol hij liep hem te gemoet, omhelsde hem en leidde hem in zijn huis. Zoo was Jacob hij zijne bloedverwanten vriendelijk opgenomen. Toen hij nu eene maand hij zijn oom had doorgebracht, sprak deze tot hem:

«Gij zijt nu bij mij, maar ofschoon gij de zoon mijner zuster zijt, wil ik toch niet. dal gij mij voor niet zult dienen; zegt mij, wat zal uw loon zijn.'

Jacob bedacht zich niet lang op een antwoord; want Rachel. zijne schoone

Sluiten