Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Egvptische toovenaars hunne onmacht bekenden en uitriepen: »dit is Gods vinger.' deden Mozes en Aaron eene pest onder liet vee uitbreken; menschen en dieren werden door booze zweren gekweld; een geweldig onweder, van hagelslag vergezeld, vernielde bijna al liet gewas des velds; zwermen van sprinkhanen, door den oostenwind aangevoerd, verteerden wat de hagelslag gespaard had. zoodat geen boomblad, geen grassprietje zelfs in bet gansche land overbleef; eene dikke duisternis omhulde Egypteland gedurende drie dagen. Nu verleende de Pharao den Israëlieten het legeerde verlof om naar de woestijn te trekken, op voorwaarde dat zij hunne schapen en runderen zouden achterlaten. Maar Mozes sprak: »ons vee zal met ons gaan", geen klauw zal achterblijven." Op dit woord werd des Pharao's hart op nieuw verstokt. »Ga uit van mij." sprak hij toornig. «en wacht u. dat gij niet meer voor mijne oogen komt. want indien gij waagt mij weder onder de oogen te komen, zijt gij een kind des doods!"

»Het is gelijk gij zegt," — antwoordde Mozes — »gij zult mijn aangezicht niet meer zien." Hij gebood het volk in naam van Jehova, dat elk een éénjarig lam. waaraan niet het minste gebrek was. slachten, braden en met ongezuurd brood en bittere kruiden eten zou. Dezen maaltijd moesten zij staande houden, met de voetzolen aan de voeten, de lendenen omgord, en den staf in de hand. De deurposten en dorpels van hun huis moesten zij met het bloed van het lam bestrijken, want de Heer zou te middernacht door hel land gaan en de eerstgeborenen der Egvptenaars slaan, van den oudsten zoon van den Pharao af tot den eerstgeborene der slavin en ook alle eerstelingen van het vee. Aan den met bloed geteekenden dorpel echter zou de Heer de huizen der Israëlieten herkennen en die voorbijgaan.

De kinderen Israëls deden overeenkomstig dit bevel. Nu ging de Heer te middernacht door Egypteland en sloeg alle eerstgeborenen, van den oudsten zoon des konings af. tot den oudsten zoon des gevangenen in de gevangenis toe. En er was een groot geween in Egypte, want er was geen huis waarin niet een doode was.

Nu eischte de Pharao zelf, dat Mozes en Aaron tot hem zouden komen en beval hun, ,met de kinderen Israëls weg te trekken en hunne schapen en runderen mede Ie nemen. Ook het Egyptische volk drong hij de Israëlieten er op aan. dat zij zoo spoedig mogelijk hel land zouden verlaten.

De kinderen Israëls hadden het vroeger ontvangen bevel van Mozes opgevolgd, en de Heer deed hen genade vinden in de oogen der Egyptenaars; want zonder aarzelen leenden dezen hun zilveren en gouden vaten, benevens kostbare kleederen. die zij alzoo den Egyptenaars ontvreemdden.

Zóó trokken de Israëlieten dan van Ramses naar Sukkoth ten getale van wel 600.000 man, buiten de kinderen, en met hen toog veel vreemd volk en allerlei soort van vee.

Uit het rauwe deeg, dat zij uit Egypte meegebracht hadden, bakten zij ongezuurde broodkoeken en namen die mede; want ander voedsel bezaten zij niet. Van Sukkoth trokken zij verder en legerden zich te Etham, vooraan in de woestijn. Voor hen uit trok de Heer. des daags in een wolkkolom, des nachts in eene vuurzuil, om hun zoowel bij dag als hij nacht den rechten weg te wijzen.

Toen de Pharao het bericht van den uittocht der Israëlieten ontving, veranderde hij op nieuw van gezindheid. Hij liet zijne krijgswagens, zeshonderd in getal, aanspannen, joeg met zijn krijgsvolk en zijne veldheeren de kinderen Israëls achterna en achterhaalde ben in liet dal Hiroth tegenover Baal-Zephon.

Van schrik bevangen sprak liet volk lol Mozes:

«Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd; waren daar geene graven genoeg. dat wij in de woestijn moeten sterven?"

Mozes echter sprak het volk moed in. «Vreest niet," riep hij hun toe; «staat pal; want de Heer zal voor u strijden; deze Egyptenaars, die gij heden «ziet, zult gij in eeuwigheid niet wederzien."

Sluiten