Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwen dienaar Josna en de zeventig oudsten van Israël, onder welke laatsten zich ook zijn broeder Aaron bevond. Deze mannen mochten hem echter niet lot aan den top des bergs vergezellen, maar moesten halverwege achterblijven. Hier aanschouwden zij den God van Israël; «onder zijne voeten was liet als een schoone saffier en als de gedaante des hemels wanneer hij helder is. En nadat zij God gezien hadden — aten en dronken zij.

Maar lot Mozes sprak de Heer:

..Kom boven tot mij op den berg en blijf daar, opdat ik u geve steenen tafelen met mijne wetten en geboden, die ik geschreven heb, en die gij hun leeren zult."

Nu beklom Mozes met zijn dienaar Josua den berg Gods. Deze was met eene dikke wolk overtogen, maar de heerlijkheid des Heeren was op zijne spits als een verterend vuur. Mozes ging midden door de wolken, besteeg den bergtop en bleef daar veertig dagen en veertig nachten.

Terwijl de leidsman der Israëlieten daarboven te midden der wolken de woorden des Heeren vernam, wachtte bet volk met brandend ongeduld op zijn terugkeer. De ééne dag verliep na den anderen: Mozes keerde maar niet terug. Nu begon het vertrouwen der kleinmoedigen op hun aanvoerder te wankelen. Zij verdrongen elkander rondom Aaron en eischten van dezen, dat hij hun Goden zou maken om voor hun aangezicht uit te trekken, want zij wisten niet wat Mozes overkomen was.

Aaron was bevreesd voor het volk; hij miste den onbezweken moed, die zijn broeder bezielde. Toen de ongeduldigen al sterker op de vervulling van hun wenscli bij hem aandrongen, willigde bij hun verzoek in. Hij beval hun. dat zij hunne oorringen en andere sieradiën tot hem brengen zouden, goot daaruit een gouden kalf op de wijze der Egyptenaars, bouwde een altaar en liet uitroepen: «Morgen is het des Heeren feest!"

Met het krieken van den dag verzamelde zich het volk rondom het gouden kalf en het attaar, bracht daar zijne offers en hield eindelijk een groot feest. Men begon te eten, te drinken, te zingen en muziek te maken. Juist in dezen oogenblik, terwijl het volk jubelde en zong, terwijl het rondom het gouden kalf danste en zich geheel aan zijne feestvreugde overgaf, daalden Mozes en Josua van den berg neder. De eerste had de steenen tafelen in zijne hand, waarop God met eigen vinger zijne geboden geschreven had.

Josua hoorde het eerst het gedruisch, dat aan den voet des bergs weerklonk. »Er is een geschreeuw in het legerkamp — sprak hij tot Mozes. «als ware men aan het strijden." Toen zij dichter bij bet kamp kwamen, het gouden kalf bemerkten en zagen hoe de Israëlieten jubelend er omheen dansten, maakte zich een heilige toorn van Mozes' ziel meester. Hij wierp de steenen tafelen ter aarde, zoodat ze midden doorbraken, en trad toen eensklaps te midden der jubelende menigte. In een oogwenk had hij het gouden kalf omvergerukt; nadat hij het door vuur had doen verteren, stampte hij het tot pulver, opdat er geen spoor van overblijven zou.

De eerste uitbarsting van zijn toorn gold Aaron, die tot verontschuldiging van zijne handelwijze niets wist aan te voeren, dan dat het volk hem er toe gedwongen had. Vervolgens plaatste Mozes zich aan den ingang der legerplaats en riep: «Komt allen tot mij, gij die den Heer toebehoort!" Eene kleine schaar getrouwen, de zonen van den stam Levi, verzamelden zich terstond rondom hem.

«Gordt uw zwaard aan de lendenen!" luidde het bevel van Mozes lippen; «trekt door het kamp van het ééne eind tot het andere en doodt de trouwloozen, een ieder zijn broeder, vriend en naaste, wie hij ook zijn moge. Het woord van den strengen man was den zonen van Levi een gebod, waaraan zij zonder omzien gehoorzaamden. Op dien dag vielen 3(KH) man in de legerplaats der Israëlieten.

Het oproer was gestild. Den volgenden dag verscheen Mozes te midden

8*

Sluiten