Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zonder gevaar, want krijgshaftige volken woonden in dat dal en hadden daar vaste steden met hooge muren gebouwd, die zij zeer goed wisten te verdedigen.

Het was een geluk voor de Israëlieten, dat de Chetieten, Chevieten en Amorieten niet één nauw aaneengesloten volk uitmaakten, dat elke stad haar eigen koning had. en dat dientengevolge de aanval van het vereenigde Israëlietische volk door de afzonderlijke rijken bezwaarlijk afgeslagen kon worden. Gedurende de lange reeks van jaren, sinds Israëls uittocht uit Egypte verloopen, waren zij onder ontberingen van allerlei aard tot een oorlogsvolk geworden. Reeds hadden zij met goeden uitslag tegen machtige vijanden gestreden. Daarom mochten zij ook thans op eene gelukkige uilkomst hopen in den veroveringskrijg, dien zij tegen de bewoners van Kanaan ondernamen. Omstreeks het midden der Ki,le eeuw v. C. braken zij naar de zijde van den Jordaan op. Josua. uit den stam Ephraïm, de opvolger van Mozes. was hun leidsman en veldheer.

I)e overleveringen der Israëlieten stellen ook den inval in het vruchtbare Jordaandal ons voor. als op Gods onmiddellijk bevel ondernomen. Even als Mozes werd ook Josua door Jahveh voorgelicht, die tot hem sprak en hem zijne bevelen meedeelde, die hem de kracht gaf om wonderen te verrichten en daardoor aan zijn wil kracht bij te zetten.

Eer Josua den aanval op de naasfbijgelegen volkrijke stad in het Jordaandal, op Jericho ondernam, zond hij twee verspieders ui), oin de gesteldheid des lands te onderzoeken. Deze kwamen te Jericho en namen daar hun intrek bij eene vrouw van lichtzinnig levensgedrag, met name Baclia]}. De koning van Jericho had hiervan kennis bekomen en zond eenige mannen af, om de verspieders gevangen te nemen. Maar Rachab verborg hen op het dak onder busselen vlasstengels en verhaalde aan de boden des konings. dat de vreemdelingen al gevlucht waren. Deze list redde den verspieders het leven. Uit dankbaarheid hiervoor beloofden zij aan Rachab, dat haar huis en hare geheele familie gespaard zou worden, wanneer de Israëlieten Jericho stormenderhand innamen. Nadat zij Rachab's huis verlaten hadden, hielden zij zich drie dagen lang in het gebergte schuil en zóó gelukte het hun veilig tol Josua terug te keeren. Zij deelden hem mede, wat Rachab hun gezegd had. dat er een groote vrees voor de vreemdelingen in Jericho heerschte, dat het bericht van hunne overwinning, op de Amorieten behaald, in de stad was doorgedrongen en de bewoners moedeloos gemaakt had.

Tengevolge van deze Inrichten brak het leger der Israëlieten tegen Jericho op. De priesters moesten met de verbondskist voor het leger uittrekken. Zoo bereikte men den Jordaan. Toen de priesters met de heilige kist in den stroom afdaalden, bleef het water, dat van boven kwam, staan gelijk een muur, terwijl het overige reeds voorbijgestroomde water in de Doode zee wegliep. Zóó trok het geheele volk droogvoets door het stroombed en niet voordat de laatste man er over was, hernam de Jordaan zijn loop.

Te Gilgal, oostwaarts van Jericho, liet Josua het volk een kamp betrekken, vierde hier het Paschafeest en wendde toen zijne wapenen tegen de stad. Jericho viel waarschijnlijk bij den eersten storm. Volgens de overleveringen der Israëlieten geschiedde dit door een wonder. Zes dagen achtereen trokken de weerbare mannen de stad rond, met de ark in hun midden en zeven priesters die op bazuinen bliezen, aan hun hoofd. Op den zevenden dag deibelegering, bij. hel krieken van den dageraad, trokken zij zevenmaal rondom de stad. Toen nu de priesters hun zevenden omgang volbracht hadden, beval Josua het volk een luid krijgsgeschreeuw aan te beffen. Door dit geluid en door den klank der bazuinen stortten de muren van Jericho in en de Israëlieten beklommen de stad.

Op Josua's bevel werd alles wat leefde, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, zelfs het vee met de scherpte des zwaards gedood. Alleen Rachab met hare moeder, hare broeders en alles wat zij had. werd gespaard, tol

Sluiten