Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaal. wier deuren hij zorgvuldig grendelde, en het gelukte hem te ontsnappen, want geen van de dienaren des vermoorden waagde het ongeroepen de zomerzaal binnen te treden.

Deze moordaanslag sleepte voor de Moabieten zeer noodlottige gevolgen na zich. De Israëlieten schepten nieuwen inoed. zij vereenigden zich tot een geducht leger, en richtten onder hunne vijanden zulk eene slachting aan, dat van 10.000 man niet één ontkwam.

Gelijk de middelste stammen van Israël door de Moabieten, zoo werden de noordelijke door liet rijk van Chazor bedreigd. De koning van Chazor onderwierp hen aan zijne macht en overheerschte hen gedurende twintig jaren, tot dat eindelijk eene vrouw uit den stam Issaschar, met name Debora, den moed der verdrukten weer wist te verlevendigen. Debora was, volgens het verhaal van het boek der Richteren, eene rii-litcrcs in Israël. Onder de palmen van het Epbraimietische gebergte hield zij haar verblijf en de kinderen Israëls gingen tot haar op ten gerichte. Door hare voorspellingen van een gunstigen uitslag aangevuurd, kwamen de onderdrukte Israëlieten in opstand; zij verzamelden een leger en bet gelukte hun, een schitterende overwinning op het leger van den koning van Chazor te behalen.

De veldheer des konings, Sisera, moest zijn heil zoeken in de vlucht. Zoo lang hij echter leefde, was de kans op een gunstigen atloop van den oorlog onzeker. Reeds meende Sisera dat hij ver van het slagveld in veiligheid was. en dus zijne vlucht niet verder behoefde voort te zetten. Zonder aarzelen maakte hij dan ook gebruik van het welkom aanbod eener vrouw, Jaël geheeten, die hem uit de deur harer woning te gemoet trad, en hem vriendelijk uitnoodigde om binnen te treden en uit te rusten. Zij stond hem hare eigene legerstede af en bedekte hem niet haren mantel, nadat zij hem. op zijn verzoek om een enkelen dronk waters, ongevraagd met melk had verkwikt. Maar terwijl hij sliep, nam de trouwelooze in de ééne hand eene metalen pen, in de andere een hamer en dreef die pen met zoo veel kracht door de slapen van den sluimerende, dat de punt door het hoofd heen nog in den grond drong. Zóó werd Sisera vermoord en het Israëlietische volk van dien gevreesdeu vijand verlost.

Onuitsprekelijke kwellingen hadden de Israëlieten te verduren van de zuidelijk wonende Midianieten en Amalekieten, die roofzieke nomadenvolken, welke op het schiereilanü van den Siiiaï liuiine kudden weidden. De vruchtbare vlakten van Kanaau lokten deze volken tot herhaalde invallen uit. Aan een zwerm sprinkhanen gelijk trokken zij het land door, alles vernielend wat zij op hun weg ontmoetten. Met hunne vrouwen, hunne kinderen en hun vee kwamen zij in zulk een aantal, dat hunne kameelen niet te tellen waren. Hadden de Israëlieten gezaaid, dan kwamen de Midianieten en Amalekieten om in hunne plaats te oogsten. Waar zij hunne schreden gericht hadden, lieten zij niet de minste levensmiddelen over; de kudden dreven ze weg, de akkers verwoestten ze. Die rooftochten der Midianieten bleven niet beperkt tot de zuidelijke stammen, die het meest in hunne nabuurschap woonden, neen. zij strekten die meermalen tot liet hart des lands uit. met allen tegenstand spottend, roovend wat hun oog behaagde, verwoestend wat geen voorwerp van roof kon zijn. Zeven jaren achtereen hadden zij zóó in Israël huis gehouden; vele geslachten waren door hen vernietigd, totdat eindelijk uit één geslacht, hetwelk zij op den jongsten zoon na uitgeroeid hadden, een wreker opstond. Alle zonen van zekeren Joas uit Ophra uit den stam Manasse waren door de Midianieten gedood, de jongste alleen, Gideon genaamd, was aan hunne woede ontkomen. Terwijl hij op zekeren tijd ïiezig was met tarwe te dorschen, verscheen hem de Engel des Heeren en riep hem op, om het allaar van Baal, dat dicht bij zijns vaders huis stond, omver te werpen, het gewijde bosch, waarmee het omringd was, om te houwen en vervolgens de Midianieten te bestrijden, die de Heer in zijne hand geven zou.

Sluiten