Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door deze daad had hij zich zulk een roem verworven, dat hij twintig jaren lang als Richter over Israël regeerde. Van zijne overige daden deelt de Israëlietische overlevering ons niets mede; alleen van zijn val en van de door hem genomen wraak spreekt zij.

Hij h ad eene schoone vrouw, Delila genaamd, leeren kennen en lief gekregen. Deze vrouw was echter omgekocht door de Philistijnen, die haar kostbare geschenken beloofden, wanneer zij hun het geheim van Simson's reuzenkracht verried.

Even onoverwinnelijk als de held in het veld was, even zwak was hij tegenover schoone vrouwen. Had reeds eenmaal zijne jonge vrouw hem het geheim van zijn raadsel ontlokt, ook door de schoone Delila liet hij zich verstrikken. In den beginne poogde hij haar nog om den tuin te leiden. Eerst vertelde hij haar: «Wanneer men mij bindt niet banden uit verschen wilgenbast gedraaid, kan ik mij niet losrukken." Een ander maal verzekerde hij haar, dat hij machteloos zou wezen wanneer hij gebonden werd met nieuwe touwen, waarmee nog geen arbeid was verricht. Voor de derde maal verklaarde hij. dat hij geheel weerloos zou zijn, wanneer zijne haarlokken inééngevlochten en met een spijker aan een weeftouw vastgenageld werden. Telken reize nam Delila de proef, nadat zij vooraf de Philistijnen gewaarschuwd had, maar zonder eenig gevolg. Simson verscheurde de sterkste touwen alsof ze dunne draden waren, en zijne belagers zochten- hun heil in eene overhaaste vlucht.

Ofschoon de held nu overvloedige gelegenheid had gehad 0111 zich van de valschheid zijner geliefde te overtuigen, toch was hij voor de vierdemaal even zwak.

»Hoe kunt gij zeggen, dat gij mij lief hebt, daar toch uw hart niet met mij is?" sprak de verraderes op schreienden toon. «driemaal hebt gij mij bedrogen en mij niet gezegd, waarin de oorzaak uwer groote kracht is gelegen." Zóó kwelde zij hem met hare woorden dag aan dag. Eindelijk werd zijn ziel vermoeid tot den dood toe. Hij deelde haar mee, dat hij een Nazareër, een aan God gewijde was, en dat er daarom nog nooit een scheermes op zijn hoofd was gekomen. Zoodra zijn hoofdhaar afgeschoren werd, zou hij even zwak worden als de overige menschen.

Vol blijdschap zond Delila eene boodschap aan de vorsten der Philistijnen, die oogenblikkelijk verschenen en zich in het huis verborgen. Toen nu Simson met zijn hoofd in Delila's schoot in slaap was gevallen, schoor ze zijn hoofd kaal en riep: «Simson, de Philistijnen over u!" De Philistijnsche vorsten stormden liet vertrek binnen en ditmaal was Simson niet tot den minsten weerstand in staat. De Heer was van hem geweken; hij was niet sterker dan ieder ander mensch.

De Philistijnen staken hem de oogen uit, boeiden hem met koperen ketenen en wierpen hem in de gevangenis, waar hij, in den tredmolen loopend, koren moest malen. Wanneer zij een feest vierden en offeranden aan hunne goden brachten, maakten zij zich vroolijk met den gevangene en bespotten hem.

Zóó verliep er eenige tijd. Zijn haar groeide aan, en daarmede zijne kracht. Bij gelegenheid van een godsdienstig feest der Philistijnen schepten dezen, als naar gewoonte, er behagen in om den blinde te bespotten en lieni te dwingen tot het spelen van hunne liederen. Eene groote menigte, wel :UHK) in getal, zoo mannen als vrouwen, was in het heiligdom van Dagon, hun god, tegenwoordig. Nu riep de blinde den Heer aan en bad: «Sterk mij ditmaal, o God, dat ik mij voor mijne beide oogen wreke op de Philistijnen!" Dij het stamelen van die woorden omvatte hij de beide zuilen, waartusschen hij stond en die het gansche gebouw droegen, met zijne beide armen. «Mijne ziel sterve met de Philistijnen!" riep hij uit, en met reuzenkracht rukte hij de zuilen naar zich toe, zoodal zij door midden braken. Het gebouw stortte in en begroef allen, die daarin waren, onder zijne puinhoopen. Zóó stierf Simson, terwijl hij zich nog in zijn dood op zijne vijanden wreekte.

De lotgevallen en daden van Simson zijn door de volkslegende in zulk

Sluiten