Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordde hoonend: «Ik wil een verbond met u maken, 'twelk daarin bestaan zal. dat ik ieder van 11 bet recbter oog zal doen uitsteken."

Hoe diep vernederend zulk eene vredesvoorwaarde ook was, de oudsten van Jabes durfden haar toch niet onbepaald van de hand wijzen. «Geef ons zeven dagen uitstel, spraken zij tot den koning, «opdat wij boden naar alle landpalen van Israël zenden; is er dan niemand die ons redt, dan willen wij ons aan u overgeven." Nahas ging deze overeenkomst aan. De oudsten van Jabes zonden derhalve boden naar de overzijde van den Jordaan, en smeekten hunnen volksgenooten dringend om hulp.

In zulk een nood had het volk van Israël nog nooit verkeerd. Zoowel ten Oosten als ten Westen werd het door zijne machtige vijanden bedreigd; nergens zag het uitkomst. Nu ontwaakte toch in den boezem van hetgeheele volk de wensch. dat men eindelijk alle onderscheid van stam vergeten mocht; de algemeene druk deed allen de dringende noodzakelijkheid van eene innige vereeniging aller stammen inzien. Doch zulk eene vereeniging kon dan alleen lot stand komen, wanneer allen zich aan den wil van één man onderwierpen, wanneer zij de onbeperkte vrijheid, welke de afzonderlijke stammen en in hun midden weer de afzonderlijke geslachten lot heden genoten hadden, ten otter brachten, wanneer een dapper, tol krachtig handelen geschikt man de teugels \an liet bewind in handen nam, om het vereenigde volk tegen den vijand aan te voeren. Samuël was hiertoe niet in staal; geheel zijn karakter stempelde hem tot godsdienstig hervormer, niet tot legerhoofd. Tot wien zouden zij dan in den nood zich wenden?

Ie Gibea in den stam Benjamin woonde Ie dien tijde een vaderlandslievend en heldhaftig man, Saul de zoon van Kis. Hij was, naar luid der overlevering, »een schoon man, en er was geen schooner man onder de kinderen Israëls, en hij stak met zijne schouderen boven al het volk uit."

Op zekeren dag, terwijl hij de ploegossen zijns vaders van den akker naar, huis dreef, bemerkte bij. dat het volk te hoop geloopen was en luid jammerde; I de boden van Jabes w aren gekomen, zij hadden verhaald dat hunne stad door I Nahas den koning der Ammonieten bedreigd werd, en in welke barsche bewoordingen deze zelfs elke vredelievende onderwerping afgewezen had. Op het hooren van deze woorden ontstak Saul in heftige verontwaardiging. Hij nam een paar ossen, hieuw ze in stukken en zond in alle landpalen van Israël door middel van boden zulk een stuk met de bedreiging; zoo wie mij niet volgt om tegen den vijand op te trekken, diens runderen zal hetzelfde lot treilen.

Nu stond het volk uit zijne dolle werkeloosheid op. om Saul op diens krijgstocht te volgen, en de boden van Jabes konden terugkeeren inet de verzekering, dat men trachten zou de stad te ontzetten. Den volgenden morgens verdeelde Saul het leger in drie hoopen, viel met onstuimig geweld op del Ammonieten aan en versloeg hen in een bloedigen slag; het vijandelijke leger'' werd zóó volkomen verstrooid, dat niet twee mannen bij elkander bleven.

Groote blijdschap heerschte onder het volk. Slechts enkelen murmureerden: «Hoe komt Saul er toe, om over ons te gebieden?" Zulk een woord bracht eene algemeene verontwaardiging te weeg; men wilde de belhamels dooden, maar Saul was grootmoedig. «Op dezen dag" — sprak hij —«mag niemand gedood worden, want de Heer heeft heden heil gegeven in Israël."

Kort na den slag riep hel volk, hetzij te Gilgal, hetzij te Mizpa, Saul lot koning uit (omstreeks hel jaar 1080 v. C.). Het vierde den feestdag met een groot dankoffer, «en Saul. even als alle mannen in Israël, verheugde zich zeer." De plechtige zalving werd door Samuël in naam van Jahveh verricht. De proleet riep eenige bepalingen in het leven, om misbruik van de koninklijke macht te voorkomen, die in het Oosten zoo licht in ondragelijk despotisme ontaarden kon, en drukte Saul de belangen van den godsdienst op het hart. Hij besloot zijne rede tot den koning en het volk met deze woorden: «Indien gij slecht handelt, zult gij beide, koning en volk, verloren gaan."

Sluiten