Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide legers lagen tegenover elkaar gekampeerd, en waren slechts door een dal gescheiden. Uit het kamp der Philistijnen trad dagelijks een man van reusachtigen lichaamsbouw, met name Golialh. te voorschijn om de kinderen Israëls ten strijde te dagen; maar de onnatuurlijke grootte en de geduchte spierkracht van den reus vervulden de Israëlieten niet schrik en vreeze. Want niet minder dan 6 ellen en ééne handsbreedte daarbij bedroeg de lengte van Goliath, terwijl de schacht van zijn speer aan een weversboom gelijk was en zijn metalen pantser 5000 sikkelen woog. Geen der Israëlieten durfde zich dan ook met den reus meten, en deze bespotte en hoonde zijne tegenstanders tengevolge hiervan op steeds bitterder toon. Al de vroeger zoo dappere mannen sidderden, zelfs Saul was bevreesd. Slechls één was er. die zien door den geduchten krijgsman geen schrik aanjagen liet. een jongeling, David genaamd, de zoon van Isaï.

Bij gelegenheid van een bezoek, door hem in de legerplaats afgelegd, om levensmiddelen aan zijne broeders te brengen, hoorde hij Goliath's snoevende en dreigende taal, en bezield door een onversaagden moed, waarvan bij reeds vroeger door het dooden van een leeuw en van een beer bewijzen had gegeven, besloot hij zelf den reus Ie bestrijden. »De Heer. die inij uit den muil van den leeuw en den beer gered heeft, zal mij ook uit de hand van dezen Philistijn verlossen," sprak bij tot hen. die hem voor den ongelijken strijd waarschuwden. Saul wilde hem eene metalen wapenrusting aandoen, maar de jongeling sloeg dit aanbod al. Ilij wierp zijne herderstasch over den schouder, nam in de ééne hand een slinger, in de andere zijn herderstaf, en trad zóó den reus tegemoet. Vijf gladde steentjes, die hij in de bedding eener beek gezocht had, maakten al zijne wapenen uil.

»Gij komt tot mij met zwaard, speer en schild, maar ik kom tot u in» den naam van den Heer der heirscharen. den God van Israël, dien gij ge-[ hoond hebt," riep bij den Philistijn loe, in antwoord op diens vraag: »ben] ik een hond, dat gij met een stoli op mij afkomt?" — Vervolgens nam hijJ/ een steentje uil zijne tasch, en slingerde dat met zooveel juistheid naar den reus, dat hij hem in het voorhoofd trof en ter aarde deed storten. Hij hieuw den gevallene met diens eigen zwaard het hoofd af, en bracht dat in zegepraal tot de zijnen. Nu grepen de Israëlieten moed; zij overvielen de Philistijnen en overwonnen hen in een bloedigen slag.

Van dezen dag af werd David Saul's wapendrager; spoedig klom hij in des konings dienst al hooger en hooger op. want bij alle door hem ondernomen krijgstochten was het geluk hem gunstig. Hel volk leerde hem spoedig hoogschatten, ook door Saul werd bij bemind, maar nog meer door des konings zoon Jonathan, die hem lief had als zijn eigen leven. Na korten lijd werd David lot overste over duizend aangesteld, hij ontving het bevel over des konings lijfwacht, benevens het recht om aan de koninklijke tafel aan Ie zitten. Eindelijk werd hij zelfs des vorsten schoonzoon, daar hij Saul's tweede dochter, Michal. tot vrouw verkreeg.

Doch deze waarlijk koninklijke gunstbewijzen, waarmede Saul David overlaadde, werden spoedig door uitbarstingen van een doodelijken haal achtervolgd. Als oorzaak van dien haat noemen de oorkonden der Israëlieten de afgunst, door David's voorspoed in Saul's hart gewekt. Na menigen zegevierenden strijd tegen de Philistijnen was David met roem gekroond in zijne woonplaats teruggekeerd. De vrouwen der stad kwamen hem jubelend te gemoet, en zongen onder begeleiding van pauken en vedelen: »Saul heeft zijne duizenden verslagen. -Uiaai David zijne tienduizenden!" Deze"~wooFden strooiden het zaaJ vanwrok, afgunst en acliterdochl in Saiil's ziel uit. Hij meende, dat David hem ten slotte naar de kroon zou steken; daarom groeide zijne vijandschap tegen hem met eiken dag aan, en legde hij het zelfs op zijn leven toe. Meer dan eens wierp hij met de spiets naar den jongeling, terwijl deze op de harp speelde. In weerwil hiervan gal hij hem echter

Sluiten