Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door liefde voor Jahveli, clan wel door de zucht om de staalkundige éénheid des volks door eenheid in het godsdienstige te versterken (door zucht naar centralisatie) tot dat werk gedreven was.

Verre was het er daarenboven af, dat zij die meer tot de vereering van de vreemde goden overhelden, met hart en ziel hun koning waren toegedaan, üe zware belastingen, de harde diensten, van allen zonder onderscheid gevorderd, vervreemdden ook dat andere deel des volks van hun vorst. En waar de eersten, de profeten en hunne geestverwanten, uit gehechtheid aan David's dynastie of uit godsdienstigen schroom zich van alle oproerig verzet onthielden, daar zouden de laatsten zonder aarzelen de handen ineenslaan om zijn troon omver te werpen.

Zoolang Salomo leefde, was de luister van zijn naam te groot dan dat een opstand met eenige kans van slagen beproefd kon worden. Maar nauwelijks had hij, na een iOjarige regeering, de oogen gesloten (978 v. C.), of het prachtig gebouw zijner heerschappij stortte ineen.

Al had Salomo zijn volk naar het uitwendige beschaafd, hij had der natie geene waarachtige, zedelijk-godsdienstige beschaving geschonken; vandaar dal hij, zonder het te weten en terwijl hij meende de heerschappij van zijn geslacht op onwrikbare grondslagen te vestigen, het zaad van verderf en ontbinding met volle handen had uitgestrooid. Reeds zijn zoon en opvolger Rehabeam zou daarvan de hittere vruchten oogsten.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Rehabeam. De koninkrijken Israël en Juda. Jerobeain. Verval van het oud Israëlietiscbe rijk. Strijd tusschen Israël en Juda. De bloedige geschiedenis der koningen van de beide rijken. De profeten. Elia en Achab. Eliza. Araos. De laatste koniugen van Israël. De profeet Hosea. Jesaïa. De val van het koninkrijk Israël. De laatste koningen van Juda. De profeet Jeremia. Het wetboek gevonden. De oudergang vau Juda. De Babylonische ballingschap.

De verdere geschiedenis van het Israëlietische rijk, gelijk zij ons door de boeken der Koningen en der Kronieken geschilderd wordt, is eene aaneenschakeling van vreeselijke misdaden en gruwelijke moorden, een verhaal van oproeren en familietwisten, waarin schanddaden van allerlei soort in een bonte rij elkander opvolgen. Slechts hier en daar ontmoet onze blik eene lofwaardige handeling of een rechtschapen karakter, die ons althans eenigermate verzoenen met een volk, dat zedelijk al dieper en dieper was gezonken, dat zijn godsdienst óf verlaten óf tot een eeredienst met doode vormen verlaagd had, en nu ten speelbal verstrekte voor de eerzucht van enkelen, die geen middel te schandelijk achtten, indien het hun slechts den weg tot den troon banen kon.

Ook de voorstelling van deze gebeurtenissen in de genoemde boeken wordt geheel beheerscht door het denkbeeld, hetwelk als een roode draad de gansche geschiedenis van Israël doorloopt, dat alle rampen, die het volk te verduren had, slechts als eene straf voor hun afval van den zuiveren Jahvehdienst waren te beschouwen. Eenige waarheid ligt er in die gedachte, deze namelijk, dat de ontzenuwende, alle hoogere behoeften langzamerhand verstikkende eeredienst der vreemde goden op den duur een hoogst verderfelijken invloed op

Sluiten