Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want aan het herstellen van de oude, repnblikeinsclie staatsinrichting werd door niemand gedacht.

De keus viel op Jerobeam, een vroegeren opziener hij de openbare werken van Salomo, die zich gedurende zijn diensttijd de liefde van liet volk had verworven, maar die, wegens zijn verzet tegen des konings willekeur, door dezen vervolgd en lot redding van zijn leven naai' Egypte gevlucht was. Jerobeam was thans teruggekeerd; eenstemmig werd hij tot koning verkozen over de tien stammen, welke den ouden naam van Israëlieten behielden, omdat zij de groote meerderheid des volks uitmaakten.

Zoo was het voormalige Israëlietische rijk in twee koninkrijken gesplitst, Juda en Israël. Jeruzalem bleef Juda's, Sichein werd Israël's hoofdstad.

Spoedig deden de gevolgen van deze scheuring zich gevoelen. Al de volken, die tot nu toe door de Israëlieten onderdrukt waren, kwamen in opstand, en slechts met moeite gelukte het aan Jerobeam de Moabieten weer te onderwerpen. De macht der naburige volken groeide op zulk eene onrustbarende wijze aan, dat Jerobeam gedwongen werd om zijne residentie van Sichein naar Thirza te verleggen, waar hij minder bedreigd werd door het sterk in bloei toenemend rijk van Damascus.

Jerobeam regeerde van 078—957 v. C. niet zonder voorspoed. Ten einde elke hereeniging der beide rijken ook in de toekomst te voorkomen, voerde bij in zijn gebied den kalverdienst. — de vereering van Jahveh onder het beeld van een stierkalf — in. een dienst, waartoe vooral de noordelijke stammen altijd sterk overhelden. Te Dan en te Beth-el werd zulk een beeld opgericht. Ongetwijfeld is deze daad van Jerobeam mede oorzaak geweest van bet verval van den Jahvehdienst in het noordelijk rijk, waarvan wij beneden zullen hebben te spreken. Wel had hij oorlogen te voeren met liet rijk Juda, maar zonder dat daardoor zijn troon in gevaar werd gebracht. Juda zelf werd door buitenlandsche vijanden zoozeer in de engte gedreven, dat Rehabeain er in de verte niet aan denken kon. Israël door geweld van wapenen weer aan zijn bewind te onderwerpen. Reeds vier jaren na zijne troonsbeklimming had deze vorst een zwaren strijd te voeren tegen den machtigen koning van Egypte. Pharao Sesonchis drong in het jaar 97i v. C. in Juda door. deed een strooptocht door het geheele land en voerde de aanzienlijke, door Salomo nagelaten schatten uit Jeruzalem weg. Ook de Arabieren bedreigden het reeds zoo ingekrompen rijk. doch werden later door Rehabeam's kleinzoon Asa (958—917 v. C.) in een schitterend gevecht overwonnen. Minder gelukkig was Asa in zijn strijd tegen Israël. Daar was Jerobeam's zoon en opvolger. Nadab, na eene regeering van slechts twee jaren door een opperbevelhebber des legers, met name Baësa, vermoord, en het geheele geslacht van Jerobeam door den overweldiger uitgeroeid. Hierop wendde de nieuwe koning zich tegen Juda. inet het plan om weer één groot Israëlietisch rijk te stichten. Alleen met de uiterste krachtsinspanning konden de inwoners van Juda den heftigen aanval wederstaan. Al de schatten, welke de plunderzucht der Egyptenaars nog in den tempel van Jahveh en in het paleis van Salomo had achtergelaten, moesten door hen ten offer worden gebracht, ten einde daarmee de hulp van koning Renhadad van Damascus te koopen. Eerst toen de Damasceners een inval in de noordelijke streken van het rijk Israël deden, werd Raësa gedwongen om van zijne veroveringsplannen ten opzichte van Juda af te zien. De nakomelingen van Raësa trof hetzelfde lot als die van Jerobeam. Elali, de zoon van Raësa, werd bij gelegenheid van een slempmaal door Zimri gedood, doch deze viel op zijne beurt door de hand van den veldoverste Omri, die na een langen burgeroorlog den troon bemachtigde en met Juda en Damascus vrede sloot.

Dewijl Thirza, «le vroegere koningsburg, in den burgeroorlog verwoest was, legde Omri op den berg Schomeron eene nieuwe hoofdstad, Samaria, aan.

Na eene twaalfjarige regeering (van 930—918 v. C.) liet Omri de kroon na aan zijn zoon Achab (918—896), die in de eerste jaren van zijn bewind

Sluiten