Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joas, door de priesters verder opgevoed, regeerde geheel in hun geest. Maar een krijgsman werd hij niet; noch tegen de Philistijnen noch tegen de Syriërs bleek hij opgewassen. De macht van het rijk Jnda verminderde met elk jaar. totdat Joas eindelijk na eene veertigjarige regeering (van 877—837 v. C.) door twee zijner dienaars in zijn bed vermoord werd. Zijn zoon Amazia besteeg den troon. Hij streed aanvankelijk met goed geluk tegen de Edornieten; in dezen oorlog werden de wreedheden van vroeger dagen herhaald, want 10,0(>0 gevangenen werden van eene rots naar beneden geworpen. Een oorlog met Joas van Israël, den kleinzoon van Jehu, nam daarentegen een ongelukkig einde. De Israëlieten namen Jeruzalem in en plunderden zoowel den tempel als het koninklijk paleis. Ook Amazia werd door saamgezworenen vermoord.

Uzia (f 756 v. C.), zijn zoon en opvolger, was de eerste in de lange rij van Juda's koningen die de teugels van het bewind weer met krachtige hand voerde. Hij maakte Juda weer van het noordelijk rijk onafhankelijk, regelde het krijgswezen op nieuw, liet de hoofdstad Jeruzalem beter versterken en voerde gelukkige veldtochten tegen de naburige volken, de Philistijnen, Ammonieten en Edornieten. Nadat hij zoo de veiligheid van zijn gebied op nieuw verzekerd had, bevorderde hij ook den handel, den landbouw en de veefokkerij, zoodat Juda onder zijne regeering op nieuw eene welvaart en een aanzien genoot, die de schitterendste tijdperken uit het verleden in het geheugen riepen.

Terwijl Uzia zóó over Juda regeerde werd ook Israël uit zijn toestand van verval opgeheven door den achterkleinzoon van Jehu. Jeroboam II (-f- 761 v. C.) Deze, een vorst vol moed en geestkracht, die waarschijnlijk ook een tijd lang over Juda geregeerd heeft, veroverde weer al die steden en landstreken, welke Syrië aan zich had getrokken. In weerwil van velerlei zware rampen, die juist toen het land trollen, wist hij de algemeene welvaart te verhoogen. Ook in Israël breidde de handel zich uit. de hoofdstad Samaria werd het middelpunt van een levendig handelsverkeer; weelde en pracht heerschten binnen hare muren.

Dit langdurig tijdperk van voorspoed en vrede, hetwelk aan de koninkrijken Israël en Juda gelegenheid schonk om door den snel in bloei toeneineuden handel groote rijkdommen op te stapelen, oefende op den geest dier natiën denzelfden invloed uit, dien wij onder gelijke omstandigheden ook bij andere volken zullen hebben op te merken. De weelde, waaraan de meer welgestelden zich overgaven, nam van jaar tot jaar toe en daarmee de trots van hen, die groote schatten verworven hadden, zoodat zij allen, die in dit opzicht beneden hen stonden, verachtten. Al te dikwijls gebeurde het dat zij, die niet in staat waren om geleende gelden terug te betalen, als slaven verkocht werden, dikwijls genoeg ook, dat de rijkdom als middel tot onderdrukking van de minder gegoeden werd gebruikt. De rechters waren omkoopbaar, het recht werd verkracht ten gunste der aanzienlijken, ten nadeele van de armen, weduwen en weezen. De zinlijke eeredienst der vreemde volken werd daarenboven dooi1 de hoogere standen, die zeer daartoe overhelden, aanhoudend uitgeoefend, hetzij tegenover den Jahvehdienst, hetzij in vereeniging daarmede. Zulk een voorbeeld moest een verleidelijken invloed op de lagere volksklassen uitoefenen, en dezen zouden ongetwijfeld geheel van den Jahvehdienst zijn afgevallen, wanneer niet de profeten zoo krachtig hunne slem daartegen verheven hadden.

Het profetisme was gedurende de vervolgingen, waaraan het van de zijde der afgodisch gezinde koningen was blootgesteld, gelouterd en veredeld. De profeten, die in de 8® eeuw v. C. onder de Israëlieten optraden, boezemen ons door bun verheven karakter menigmaal diepen eerbied in. In plaats van in den naam van Jahveh doodvonnissen uit te spreken en zeiven uit te voeren — gelijk hunne voorgangers wel te goeder trouw, maar tengevolge van hun lager zedelijk standpunt gedaan hadden — predikten zij aan het volk een zuivere zedeleer, bestreden zij alle uitspattingen van zinlijken aard, alle

Stkeckfuss. I. 1 '1

Sluiten