Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door Jozia op godsdienstig gebied ingevoerd (2 Kon. XXII; XXIII, 1—24 *).

Ver was het er af. dat de dienst van Jahveh in die dagen reeds de eenige godsdienst van Juda's inwoners was. Het grootste deel des volks vereerde hetzij naast, heizij in de plaats van dien god andere goden; Baal. Aschera, Kamos, Milcom, Moloch, enz. In den Jeruzalemschen tempel zeiven bevonden zich beelden en altaren van Baal en Aschera en van het heir des hemels (de sterren). In Judea werden behalve diezelfde Goden ook de «zon, de maan en de teekenen van den dierenriem" vereerd. Daar vond men een groot Ascherabeeld, benevens heilige woningen, waarin de vrouwen zich bezig hielden mei het weven van bekleedsels voor de kapellen dier godin. In de onmiddellijke nabijheid van de hoofdstad, in de vallei Ben-Hinnom, waseene plaats. Tophet geheeten en aan den dienst van Moloch gewijd, waar men zijn zoon of dochter ter eere van dien god verbrandde.

In een der tempelgebouwen bevonden zich paarden aan de zon geheiligd, en daarbij zonnewagens, die — wij weten niet recht hoe — bij den dienst van dat hemellichaam werden gebruikt; op het dak van een vertrek, door Achaz gebouwd, stonden altaren, zeker voor afgodisch gebruik, evenals de altaren van Manasse in de beide voorhoven van Jahveh s tempel geplaatst. Dif, wat den dienst der afgoden betreft. Wat den Jahvelulienst aangaat, wij hebben ons volstrekt niet voor te stellen, dat Hij in den Jeruzalemschen tempel-alleen werd aangebeden. Door hef gansche land, van Geba af tot Berseba toe, bestonden er zoogenaamde hoogten, d. i. kleine kapellen of heiligdommen, gewoonlijk op heuvels gebouwd en aan Jahveh gewijd. Ook binnen de steden, zelfs te Jeruzalem, vond men zulke kapellen en wel, naar het schijnt, meestal bij de stadspoort. Zij hadden hare eigen priesters, die, even als de Jeruzalemsche priesterschap, tot den stam Levi behoorden. De aanbidding van Jahveh in deze heiligdommen ontaardde zeer licht, door het opnemen van gebruiken of voorstellingen aan de vreemde godsdiensten ontleendAan dezen toestand nu . die op de zedelijk-godsdienstige ontwikkeling des volks niet dan den verderfelijksten invloed uitoefenen en (lus zijn onvermijdelijken ondergang voorbereiden moest, maakte Jozia een einde. Alle afgoderij werd uitgeroeid; de tempels, kapellen en beelden van de goden der volken werden verwoest; ook de wichelarij en waarzeggerij, die met de vereering der vreemde goden zoo nauw samenhing, werd verboden. Doch hierbij bleef het niet. Jozia verwoestte evenzeer de «hoogten" waar Jahveh vroeger aangebeden werd — gelijk Hiskia dit reeds vroeger had beproefd — en beperkte alle vereering van den god Israëls tot den Jeruzalemschen tempel.

De priesters dier hoogten werden naar Jeruzalem overgebracht, waar zij wel niet in den tempel den dienst mochten verrichten, maar toch hetnoodige tot hun levensonderhoud ontvingen. Deze pogingen tot hervorming breidde Jozia ook tot het voormalig rijk der tien stammen uit. Ook daar werd verwijderd al wat naar afgoderij en hoogtendienst zweemde; alleen ten aanzien van de priesters der hoogten handelde hij daar met wreede gestrengheid; zij werden tot den laatsten man omgebracht, waarschijnlijk dewijl in hunne heiligdommen de dienst van Aschera met dien van Jahveh vermengd werd. — De aanleiding tul die doortastende maatregelen vond Jozia in de volgende omstandigheid. De koning had het plan gevormd om den in vele opzichten bouwvalligen tempel te herstellen en zond derhalve zijn schrijver Saphan tot Ililkia den hoogepriester, om het in de tempelschatkist voorhanden geld te halen. Deze deelde aan 's konings schrijver mede, dat hij in het huis Gids eene boekrol van het hoogste gewicht, het «wetboek" of het «boek des verbonds"

*) Ook hier vergelijke wie in meerder bijzonderheden belaag stelt: A. Kuenen, Schetsen uit de geschiedenis van ïsraël; IX de hervorming van Josia, voorkomende in Nieuw etx Oud. J)l. VIII, afl. 5.

Sluiten