Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevonden had. Saphan bracht den koning dit geschrift over en eeneprofetes. Hulda, verklaarde, op de tot haar gerichte vraag, dal dit hoek de woorden van Jahveh bevatte. Het was dat geschrift, hetwelk ook ons nog als het boek Deuteronomium bekend is hetzij het toen in zijn tegenwoordigen of in een minder volledigen toestand werd gevonden), dal niet lang te voren was geschreven en waarin door een profetisch schrijver, Mozes sprekend werd ingevoerd. De onafgebroken werkzaamheid van de mannen dier profetische richting in den boezem des volks, mag alzoo de dieper liggende en eigenlijke oorzaak van Jozia's hervorming worden genoemd.

De voorlezing van dal heilige boek maakte op den koning een diepen indruk. Hij riep de oudsten van Juda, ja, het gansche volk bijeen en deed het ook hun voorlezen. Vervolgens beloofde de koning plechtig, de geboden van Jahveh te zullen houden en die met zijne gansche ziel te zullen vervullen. Het geheele volk sloot op nieuw een verbond met den Heer en bekrachtigde dat met een plechtigen eed. Na afloop van dit alles liet Jozia een paaschfeest vieren, zoo als het nooit te voren door Gods volk gehouden was.

Het verwondert ons niet, dat de overlevering de nagedachtenis van dezen koning boog in eere beeft gehouden. »En vóór hem was geen koning geweest zijns gelijke, die zich tot den Heer met zijn gansche harte, met zijne gansche ziele en met zijne gansche kracht naar al de wet van Mozes bekeerd bad, en na hem stond zijns gelijke niet op." Zoo spreekt de schrijver van het boek dei- Koningen van hem 2 Kon. XXIII. 23).

Jozia's pogingen om de staatkundige onafhankelijkheid van zijn rijk te handhaven, werden niet met zulk een goeden uitslag bekroond. In den strijd tegen den Egyptischen koning Necho sneuvelde bij bij Megiddo in bel jaar 608 v. C.

Necho stelde Jozia's tweeden zoon Jojakim als schatplichtig koning over Juda aan. Deze perste met onverbiddelijke wreedheid aan zijn volk zware belastingen af, tot het stichten van prachtige paleizen, zonder zich er om te bekommeren dat Juda onder de zware schattingen, die den Assvriërs uitbetaald waren, buitendien reeds zooveel geleden had. De profeet Jeremia waarschuwde hem met eene oprechtheid die geene vrees kende; met eene stoutmoedigheid en eene kracht van taal. waartoe ieder ander tegenover een machtig koning den moed zou ontbroken hebben, berispte bij des vorsten daden. Dezelfde gestrengheid betoonde de profeet ook tegenover de rijken en aanzienlijken, en zelfs tegenover het volk, wijl het altijd op nieuw tot de vreemde godsdiensten overhelde. Ook den priesters, die meer dan ééne vreemde plechtigheid in stand hadden gehouden, verweet hij hun gedrag. Hij kondigde den ondergang van den tempel, als straf voor zulke overtredingen aan. Hierop grepen hem de priesters om hem te dooden. Slechts met moeite gelukte het hem. zich voor hunne woede en voor de uitbarsting van des konings toorn te beveiligen. Een ander profeet, Uria. die in denzelfden geesl als Jeremia gepredikt had, vluchtte naar Egypte, doch werd van daar teruggehaald en ter dood gebracht.

De overheerscbing van Juda door de Egyptenaren was niet van langen duur. We weten reeds welk lot koning Necho trof (zie blz. 53). Maar slechts voor korten lijd niochl het land zich opnieuw in liet genol der vrijheid verheugen; weinige jaren later, in het jaar 600 v. C. werd Jojakim genoodzaakl om zich schier zonder tegenstand aan den machtigen Nebukadnezar te onderwerpen.

Een opstand, door den koning in het jaar 597 v. C. tegen Nebukadnezar beproefd, bleef zonder vrucht. Slechts de dood onttrok hem aan de gestrenge straf van den vertoornden overweldiger. Zijn zoon Jechonia moest na eene regeering van drie maanden de poorten voor den vijand ontsluiten, en werd gevankelijk naar Babyion gevoerd. In zijne plaats besteeg Jozia's derde zoon, Zedekia, als Babylonisch stadhouder den troon.

Het land werd ontwapend; 17000 gevangenen, de meeste aanzienlijken

Sluiten