Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het te dooden, en dat hij zich door zijne lastdragers van den dood des kinds overtuigd had.

Astyages vergat nooit eene ongehoorzaamheid; altijd bestrafte hij iemand, die zich daaraan schuldig had gemaakt, op de strengste wijze; ditmaal echter scheen hij verheugd wijl zijn bevel niet volbracht was.

»Het noodlot heeft alles goed gemaakt." sprak hij. »zend daarom uw zoon tot mijn kleinzoon om met hem te spelen en kom gij hij mij ter maaltijd; ik wil den Goden een dankoller voor de redding van den knaap aanbieden."

Harpagus gehoorzaamde; hij zond zijn eenigen zoon, een knaap van dertien jaren, naar het huis van Astyages en kwam vervolgens zelf ter maaltijd. Toen het uur van het middagmaal gekomen was, werden de tafels voor al de gasten met lamsvleesch bezet, maar aan Harpagus bewees de koning de eer van hem twee afzonderlijke schotels te doen voorzetten. Hij drong hem om te eten van het kostelijke vleesch, waarmede één der schotels gevuld was, en eerst toen hij verzadigd was, vroeg hem de koning, of de lekkernij hem wel had bevallen. Harpagus betuigde zijn dank. Nu droegen des konings dienaars den tweeden overdekten schotel op, en Astyages beval, dat Harpagus het deksel zou oplichten en er uitnemen wat hij wilde. Toen deze het deksel optilde, zag hij het hoofd, de handen en de voeten van zijn kind, van welks vleesch hij gegeten had. Tergend vroeg hein Astyages of hij liet wildbraad ook kende, dat hij had genuttigd. »Ik ken het," antwoordde Harpagus. • wat de koning doet is welgedaan." Met deze woorden nam hij het overige vleesch in ontvangst en ging naar zijn huis, om het overschot van zijn zoon te begraven.

Den volgenden dag liet Astyages zijne Magiërs roepen en vroeg hun, wat hij wel met Cyrus, den zoon van Mandane, moest doen. De Magiërs verklaarden hem, dat hel droomgezicht reeds verwezenlijkt was; Cyrus was koning geworden en dus was er van zijn kant geen gevaar meer te duchten. De koning verblijdde zich hierover, want de knaap was hem lief geworden; nadal hij hem nog eenigen tijd bij zich had gehouden, zond hij hem naar Perzië tot zijne ouders.

In het huis zijns vaders wies Cyrus op tot een krachtvol man; de Perzen schaarden zich spoedig rondom hem , dien zij als den aanzienlijkste en dapperste eerden. Harpagus, die zijn lot zwijgend gedragen had, zon echter nog steeds op wraak. Nadat Cyrus tot man gerijpt was, zond hij dezen eens door zijn dienaar een haas toe met de boodschap, dat Cyrus dezen eigenhandig moest opensnijden, wanneer niemand daarbij tegenwoordig was. Cyrus volgde deze aanwijzing en vond binnen in het dier een brief, waarin Harpagus hem opriep om zich op Astyages te wreken; hij moest zich aan het hoofd der Perzen stellen en hen tegen de Meden aanvoeren; daar zou hij geen enkelen vijand vinden, want de Meden waren bereid om hun koning af te vallen.

Cyrus verzamelde terstond de Perzen en verklaarde hun, dat Astyages hem tot bevelhebber van het leger had benoemd; zij gehoorzaamden hein gewillig. Op zekeren dag voerde hij de vereenigde Perzen naar een veld vol doornstruiken en beval hun, dat veld in éenen dag van de doornen te zuiveren, en den volgenden dag terug te komen. Op dezen tweeden dag liet Cyrus een heerlijk gastmaal met wijn en kostelijke spijzen aanrichten; de verzamelde gasten moesten zich op eene weide legeren en daar den maaltijd houden. Nadat zij van den maaltijd opgestaan waren, vroeg Cyrus hun wat begeerlijker was, het werk van den vorigen of de maaltijd van den huidigen dag. Op het zeer natuurlijke antwoord, dat hieromtrent wel geen twijfel kon bestaan, riep Cyrus: «beide dagen zijn een beeld der Perzen, de moeitevolle arbeid het beeld der dienstbaarheid, de maaltijd daarentegen het beeld der vrijheid. Zoo volgt mij dan en wordt vrij; want ik ben door goddelijke beschikking geboren 3tn uw aanvoerder te zijn!"

Astyages hoorde spoedig dat Cyrus de Perzen om zich verzamelde, en

Sluiten