Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgenden morgen was de stad veroverd; ook de bezetting van den burg legde de wapenen neer.

Zóó was Babyion in liet jaar 538 v. C. gevallen. Ook bij deze gelegenheid betoonde Cyrus zich een zachtmoedig vijand. Koning Nabonetus die — volgens liet bericht van Berosus — niet in den strijd sneuvelde, werd verbannen, maar ook als balling vorstelijk behandeld. De inwoners van Babyion hadden vyeinig van den druk des oorlogs te lijden. De tempels en paleizen werden niet verwoest, zelfs de reusachtige muren der stad bleven ongeschonden. Alleen de zoogenaamde Medische muur (zie blz. 80) moest op meer dan een punt vallen; op verschillende plaatsen werd daarin eene wijde bres gebroken, opdat dit ontzaglijke verdedigingswerk in het vervolg niet meer tegen de Perzen gebezigd zou kunnen worden.

De hoofdstad sleepte in haar val de overige gewesten des rijks mede; zij onderwierpen zich meest alle zonder den minsten tegenstand. Ook de Syrische landen werden spoedig veroverd; de Phoeniciërs onderwierpen zich vrijwillig, even als de steden op Cyprus. Cyrus liet alle onderworpen volken door hunne eigene vorsten besturen; van deze eischte hij slechts, dat zij onder de Perzische opperheerschappij zouden regeeren. In Phoenicië bekleedde Sidon voortaan den eersten rang onder de steden, de koningen van Sidon hadden den voorrang boven de overige vorsten.

De hoop, door de Joden omtrent Cyrus gekoesterd, werd door hem in ruime mate verwezenlijkt. Hij schonk bun verlof om naar hun vaderland terug te keeren; al maakte ook een deel hunner, — zij die zich in Babyion voor goed met der woon gevestigd hadden — van deze vergunning geen gebruik, een ander deel, en dat wel zij, die met de vurigste geestdrift voor de instandhouding van den Jahvehdienst bezield waren, keerde naar Jeruzalem en zijn naasten omtrek terug.

42,000 Joden, met 7000 slaven, gaven gehoor aan de oproeping van een spruit van het oude koningshuis, een nakomeling van David, Zerubbabel, om in Jeruzalem een nieuwen staat te stichten. Maar thans stelden zij niet, zooals vroeger, een koning aan bun hoofd; in de Babylonische ballingschap was het aanzien der priesters zóó gestegen, dat deze voortaan als de natuurlijke hoofden en scheidsrechters der Joden beschouwd werden. Jahveh was de eenige Heer en Koning des volks; als zijn vertegenwoordiger regeerde de Hoogepriester. Zij, die naar Jeruzalem terugkeerden, behoorden voor het grootste deel tot den priesterstand en tot de oude geslachten, die in zekeren zin den adel des lands uitmaakten. Het hoogste doel van hun wenschen en streven was de herstelling van den eeredienst. De herbouw des tempels werd ondernomen; niet alleen de teruggekeerden, maar zelfs zij, die in Babylonië waren achtergebleven, bevorderden dat werk door hunne vrijwillige bijdragen. Reeds in liet tweede jaar na den terugkeer kon de grondslag van den tempel worden gelegd; de herbouw zelf werd intusschen spoedig vertraagd door hinderpalen, daartegen door den nationalen trots der Joden zeiven opgeworpen.

ioen de Joden in hun vaderland terugkeerden, werden zij daar vriendelijk ontvangen door de bevolking van Samaria, een volk dat uit de vermenging van de weinige achtergebleven Israëlieten, van de naar het rijk Israël overgebrachte Assyriërs en van enkele landverhuizers uit de naburige Syrische stammen ontstaan was. De Samaritanen boden den teruggekeerden ballingen hunne ondersteuning tot den herbouw van den tempel aan, op voorwaarde dat zij voortaan met de Joden één volk zouden uitmaken. Maar de laatsten, trotsch op hunnen zuiveren stamboom en op den onvervalschten Jahvehdienst, welken zij in de ballingschap als hun kostelijksten schat bewaard hadden, en vreezende dat hun godsdienst — gelijk vroeger — door heidensche inmengselen verontreinigd zou worden, wezen de aangeboden hulp af.

Thans ontwaakte, zij het ook onder andere vormen, de oude strijd tusschen Ephraïm en Juda; de Samaritanen poogden eerst den herbouw van den tempel

Sluiten