Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterkste mcnschen leefden, mensclien, die bijna zonder uitzondering een leeftijd van 120 jaren bereikten en derhalve »de langlevende Ethiopiërs" genaamd werden.

Cambyses liet het land eerst verkennen door verspieders, wien hij geschenken voor den koning der langlevende Ethiopiërs meegaf. Maar de Ethiopiër bemerkte zeer goed, dat de gezanten als spionnen tot hem kwamen en zeide hun dit zonder eenige terughouding.

»De Perzische koning heeft u niet met geschenken tot mij gezonden, wijl hij mijne vriendschap op zoo hoogen prijs stelt. Gij spreekt de waarheid niet, want gij komt als verspieders in mijn rijk. Uw koning is geen rechtschapen man, want zoo hij rechtschapen was, dan zou hij niet trachten naar het bezit van een ander land, dan liet zijne, dan zou hij geene menschen tot slavernij brengen, die hem in geen enkel opzicht beleedigd hebben. Geeft" — zóó ging hij voort, terwijl hij een boog nam-en dien den boden overreikte, — »geeft hem dezen boog en zegt hem, dat de koning der Ethiopiërs den koning der Perzen den volgenden raad geeft: wanneer eens de Perzen bogen van zulke grootte even gemakkelijk kunnen spannen als de Ethiopiërs, laat hem dan met overmacht tegen de langlevende Ethiopiërs te velde trekken. Tot zoo lang echter moge hij de goden danken, wijl zij de Ethiopiërs niet op het denkbeeld hebben gebracht om vreemde landen te veroveren." Met deze woorden reikte hij den verspieders den boog toe, en deze brachten de boodschap getrouwelijk aan Cambyses over.

De op veroveringen beluste koning liet zich door deze woorden niet afschrikken, ofschoon noch hij, noch iemand van zijn hofstoet den Ethiopischen boog spannen kon. In het jaar 524 v. C. verzamelde Cambyses zijne troepen te Thebe in Opper-Egypte. 50,000 man zond hij ter zijde af, tien dagreizen ver in de woestijn, naar de oase Siva, waar de beroemde tempel van Ammon lag; dit leger moest de daar wonende stammen onderwerpen; met zijne overige soldaten trok hij stroomopwaarts tegen de Ethiopiërs op.

De eerste stammen, welke Cambyses op zijn marsch zuidwaarts ontmoette, werden spoedig overwonnen en tot het betalen van eene jaarlijksche schatting verplicht. Maar hoe verder hij kwam, des te bezwaarlijker werd de tocht. Eindelijk kon hij den loop der rivier niet meer volgen en moest hij veertig dagen achtereen zijn inarsch door eene onvruchtbare landstreek voortzetten. Nog was het vijfde deel van den geheelen weg niet afgelegd, of reeds ontstond er gebrek aan levensmiddelen en moesten de lastdieren geslacht worden om de uitgeputte soldaten te voeden.

Het was hoog tijd om terug te keeren; maar Cambyses gaf toch bevel om voort te marcheeren. Steeds onherbergzamer werd het land; dagen lang voedden de soldaten zich met gras en kruiden, maar ook dit voedsel begon eindelijk te ontbreken. Nu bleef er geene andere keuze over: zouden niet allen van honger omkomen, dan moesten de soldaten onderling het lot werpen; zij, op wie het lot viel, werden geslacht en hun vleesch diende den overigen tot spijs. Een tiende deel van al de manschappen werd door het lot ter slachtbank verwezen.

Het zien van zulke afschuwelijke tooneelen bracht eindelijk des konings besluit aan het wankelen. Met het verlies van een groot deel zijns legers moest hij den onbezonnen veroveringstocht boeten.

Toen Cambyses in Thebe terugkwam, werd hij met eene treurmare ontvangen. Geheel liet leger, dat naar de oase Siva was gezonden, was door een zandstorm bedolven; niet één dier krijgslieden keerde terug.

De scherpste tegenstelling met de neerslachtigheid des konings over zulke harde slagen van het lot vormde de blijdschap, welke het volk van Memphis — waarheen Cambyses teruggekeerd was — over het vinden van een nieuwen Apis (zie blz. 35) aan den dag legde. Met de gebruikelijke vreugdefeesten werd de heilige slier begroet. Cambyses meende, dat deze blijdschap des

Sluiten