Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Toen de landschappen tegen mij opstonden, lielt ik negentien veldslagen geleverd en door de genade van Ahuramazda (Ormuzd) daarin de overwinning behaald en negen koningen in deze veldslagen gevangen genomen. Dit is het wat ik gedaan heb; door de genade van Ahuramazda heb ik alles volbracht. Gij, die in het vervolg dit opschrift leest, houd het niet voor onwaarachtig. Daarom moge vereeuwigd blijven wat ik gedaan heb. Schend hel beeldhouwwerk en het opschrift niet. Wanneer gij het schendt, dan zij Ahuramazda u vijandig, uw stam verga en wat gij doet verijdele Ahuramazda. Wanneer gij ze onbeschadigd bewaart, moge Ahuramazda uw vriend zijn en uw stam moge zich vermenigvuldigen, lang moogt gij leven en wat gij doet dat moge Ahuramazda zegenen.

Gij. die in het vervolg koning zult zijn, wacht u voor zonde. Zoo een mensch zondigt, straf hem goed. Wanneer gij zóó denkt, zal mijn land onoverwinnelijk zijn."

Het rijk van Cyrus was hersteld, het was zelfs door een kleine verovering, die van het eiland Samos, nog uitgebreid. Herodotus verhaalt ons de geschiedenis dier verovering op de volgende wijze:

«Pglykrates had, toen hij, de uitnoodiging van Oroetes volgende, onbewust den dood te gemoet ging, een zekeren Maeandrius op Samos als bestuurder achtergelaten, en deze regeerde na den dood van den gekruisigden vorst. Ten tijde dat Polykrates zich met geweld van het bewind over Samos had meester gemaakt, was hij ondersteund geworden door twee zijner broeders. De tyran had echter geen gevoel van dankbaarheid gekend; uit vrees voor den invloed zijner broeders had hij den éénen laten vermoorden en den anderen, Syloson, in ballingschap gezonden.

Gedurende zijne ballingschap was Syloson zoo gelukkig geweest van aan Darius, die toen nog aan het hof van Cambyses in Egypte leefde, een kleinen dienst te bewijzen. Op zekeren dag liep de Samiër te Memphis over de markt; zijn hoog roode mantel behaagde Darius, die den wensch te kennen gaf om den mantel te koopen. »Tot geenen prijs verkoop ik hem," hernam Syloson, »maar ik geef hem u gaarne ten geschenke."

Toen Darius den troon van Perzië besteeg, herinnerde Syloson zich het door hem gemaakt geschenk en besloot hij van deze omstandigheid in zijn belang partij te trekken. Hij ging naar Susa, zette zich daar in de voorzaal van het paleis neer, en vertelde aan de wachten, dat hij een weldoener van Darius was.

»Ik weet niet, welke weldaad ik van een Helleen genoten helt," verklaarde de koning, toen hij van deze zonderlinge bewering hoorde. Hij liet Syloson voor zich brengen, en toen deze verhaalde, dat hij Darius eens, in een tijd toen deze nog een trawant van Cambyses was, een mantel ten geschenke had gegeven, riep de koning verheugd uit: »Dus zijt gij die edelste der menschen, die mij, toen ik nog geene macht bezat, een geschenk ga aft? Welnu, mijn bewijs van dankbaarheid zal van dien aard zijn, alsof gij mij iets groots gegeven hadt; neem zooveel goud en zilver als gij wilt, want nooit zal het u berouwen, dat gij Darius een dienst bewezen hebt."

»Geef mij geen goud of zilver, o koning," hernam Syloson; »ik wensch niets dan mijn vaderland Samos, waarover na het vermoorden van Polykrates een slaaf gebied voert, in zijn rang hersteld te zien. Laat mij dit van u verwerven, zonder dat er bloed vergoten of de bevolking tot slavernij gebracht wordt."

Darius was te koninklijk gezind om dezen wensch niet te vervullen. Hij droeg aan Otanes — een der zeven, die hem op den troon verheven had, — den last op met een leger naar Samos te zeilen en Syloson tot koning over het eiland aan te stellen.

De Perzen landden; niemand op Samos gevoelde lust om voor Maeandrius, die bij allen veracht was, het zwaard te trekken. Deze bood derhalve aan om vrijwillig te wijken; hij scheepte zich in en vluchtte. De Perzen drongen

Sluiten