Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat bovenmenschelijke krachten noodig waren geweest om die ontzaglijke? rotsblokken op elkander te stapelen.

De meest beroemde van deze bouwwerken zijn de schatkamer van Minyas in liet Boeötische -Orchomenus, de schatkamer van Atreus en de Leeuwenpoort te Mycene. en_.de muren van Tiryns in Argolis.

Pausanias beschrijft ons de schatkamer van Minyas als een rond steenen gebouw. Niets is daarvan overgebleven dan de ingang, twee opstaande marmerblokken, waarover een derde blok, ter lengte van twintig voet, gelegd is. Daarentegen treft men in de streek van Orchomenus nog de overblijfselen van belangrijke waterbouwwerken aan.

Van de schatkamer van Atreus te Mycene is meer bewaard gebleven. Ook bevinden zich bij Mycene nog indrukwekkende overblijfselen van een muur, die uit ongehouwen steenblokken van 18 voet lengte bestaat, terwijl de overgebleven ruimte tusschen de groote blokken met kleine steenen is aangevuld. De poort van den muur l>estaat uit gehouwen steenen, die met de meeste nauwkeurigheid in elkander gevoegd zijn. De ingang tot den burg wordt gevormd door eene poort, waartoe slechts drie reusachtige steenblokken zijn gebezigd, en die ons op de volgende wijze beschreven wordt:

»De beide zijposten, 14—IC voet hoog, die tengevolge van de hellende richting waarin zij geplaatst zijn, van boven tot elkander naderen, dragen een derden steen, den bovendorpel der poort, die 18 voet lang en ongeveer 5 voet breed is. Boven dezen deksteen zijn de steenblokken in de voorste laag van het muurwerk weggelaten, om zoo plaats te geven aan eene driehoekige nis.

In deze nis staat eene steenen plaat met beeldwerk en relief: de schacht van een zuil op een hoog voetstuk. De zuil wordt aan het boveneind breeder en draagt een met kogels versierd kapiteel. Aan weerszijden van deze zuil ziet men twee leeuwinnen in opstaande houding, die met de achterklauwen op den bovendorpel der poort, met de voorpooten op het voetstuk rusten, terwijl zij den kop tot aan het kapiteel opbellen. Deze koppen, die—geheel vrij van het overige beeldwerk — naar voren gekeerd waren, zijn afgebroken. De hoogte dezer dieren tol aan den kop bedraagt acht voet, de vormen zijn ongedwongen, natuurlijk en, wat de hoofdzaak betreft, juist en scherp uitgevoerd. In een hoek van den noordelijken muur bevindt zich eene kleinere poort van dezelfde samenstelling; in plaats van het relief ligt daar op den deksteen een driehoekig steenblok.

Niet minder belangwekkend dan de Leeuwenpoort zijn vier onderaardsche bouwwerken en vooral het grootste daarvan.

Een voorportaal ter breedte van 20 voet leidt naar een smalle galerij, die uit groote bewerkte steenen is samengesteld. Uit deze galerij treedt men een rond vertrek binnen, welks doorsnede ongeveer 40 bij eene hoogte van 50 voet bedraagt. De muren van dit vertrek bestaan uit regelmatig gehouwen steenblokken. Het zijn horizontale steenlagen, die, hoe dichter zij liet toppunt van het gebouw naderen, des te meer naar elkander toeloopen. totdat eindelijk bovenaan een enkele steen de steenlagen van liet kegelvormig vertrek afsluit. Den ingang tot dit vertrek van de zijde der galerij had men gevormd door het weglaten van een aantal steenen; boven deze opening, die twintig voet hoog is, dragen twee reusachtige steenbalken, naast elkander geplaatst, het bovenste muurwerk. Om den druk dezer steenmassa op de beide steenen balken, die den bovendorpel der deur vormen, een weinig te verminderen, is daarboven een driehoekig gat in de steenlagen open gelaten, waardoor het vertrek te gelijker tijd uit het voorportaal en de galerij frissche lucht ontving. Eene tweede kleinere deur van denzelfden bouwtrant voert uit het hoofdgebouw in een donker zijvertrek, dat in de rotsen is uitgehouwen. In de steenen van den ingang zijn nog de gaten aanwezig, waarin eenmaal de scharnieren der deuren bevestigd waren. Uit de vele in de wanden geboorde gaten, uit de spijkers met breede koppen en uit de stukken van metalen platen, die op

Sluiten