Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een hoogeren geest bezield waren, zijn ook de eigenlijke scheppers van den Griekschen godsdienst, van die aan wonderverhalen zoo rijke Mythologie, welke zich in het heldentijdvak uit den hoogsteenvoudigen natuurdienst der Pelasgen ontwikkelde.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ontwikkeling der godsdienstige begrippen. l)e heilige eik te Uodana. De goden der Pelasgen. De geschiedenis der Goden. De schepping van de wereld. De Chaos. Uranus en Gaeii. De Cyclopen. De Ilecatoncheiren. Kronos. l)e strijd van Zeus met de Titanen. De Giganten. Typhon. De Olympische goden. De gedaante der verschillende goden.

De godsdienst der Grieken was geen volledig afgerond stelsel. Met zijne levendige verbeeldingskracht nam het volk allerlei godsdienstige voorstellingen van vreemde natiën in zijn geest op. om die verder op zijne wijze te ontwikkelen. Zoo breidde zich de kring van zijne godsdienstige voorstellingen onophoudelijk uit. Oorspronkelijk hadden de Pelasgen slechts de scheppende krachten der natuur aangebeden; uit de verpersoonlijking van deze natuurkrachten ontstond langzamerhand eene gansche reeks van persoonlijke godheden, aan wie zij de regeering van de wereld toeschreven. In het oog van het volk. dat met zulk eene weelderige verbeeldingskracht was begaafd, waren zij wezens van eene hoogere soort, die bovenmenschelijke eigenschappen, als onweerstaanbare kracht, onsterfelijkheid. onzichtbaarheid en alwetendheid bezaten, maar in weerwil van hunne goddelijkheid, toch op hunne beurt aan eene hoogere macht, hel Noodlot fd. i. de kracht, gelijk die in liet afgelrokkene. onafhankelijk van sloten vorm gedacht werd) onderworpen waren, enij3ie_ allerlei menschelijke.eigenschappen, ja_zelfs mensdiulijkc gebreken vertoonden, "Door hunne overeenkomst met de menschen stonden zij tot hen in nauwer betrekking; ten gevolge van hunne menschelijke hartstochten en van hunne afhankelijkheid van het noodlot hadden de goden' hunne lotgevallen, even als de menschen. en deze lotgevallen deigoden boden den zangers een ruim veld aan voor het spel hunner phantasie. De dichters schiepen langzamerhand eene gansche geschiedenis der goden die, overrijk is aan dichterlijke schoonheden.

Hadden de voorvaderen slechts de meest indrukwekkende natuurkrachten als afzonderlijke godheden verpersoonlijkt, en hel leven der natuur slechts in enkele grootsche trekken zinnebeeldig voorgesteld, — de dichters werkten deze voorstellingen steeds verder uit. Alle krachten en verschijnselen der natuur traden bij heri in den vorm van persoonlijke wezens op. Iedere stroom en iedere beek, ja elke bron ontving zijn eigen god; de bergen en bosschen, zelfs iedere afzonderlijke boom werden met goddelijke wezens bevolkt. Ontstond hierdoor onder de goden, van de vertegenwoordigers der meest geduchte natuurkrachten af tot die der afzonderlijke boomen en bronnen toe, een natuurlijke reeks van trapswijze in macht en waardigheid afnemende godheden, die reeks werd verder tot den mensch zeiven voortgezet.

De goden, met menschelijke hartstochten begaafd, stonden niet op zulk een verren afstand van de menschen, dat zij met hen niet in persoonlijke aanraking konden komen. Een schoon menschenkind oefende een verleidenden invloed op goden en godinnen uit. Vleeschelijke gemeenschap met den mensch

Sluiten