Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier godheden schetsen, wier vereering in den godsdienst der Grieken de belangrijkste plaats innam.

De hoofdgod der Grieken was, gelijk we reeds meer dan eens zeiden, Zeus, de heer en koning der goden, de bestuurder van den hemel, die de jaargetijden regelde, over de winden en den regen gebied voerde, den menschen zonneschijn en sneeuw, hitte en koude toezond. Hij was de handhaver van de rechten der bloedverwantschap, de god der vriendschap en van het volkenrecht, de vader der koningen, die slechts aan het eeuwig Noodloten de onveranderlijke natuurwetten onderworpen was. Aan zijne zijde stond als vrouwelijke godheid zijne zuster Hera, die ter zelfder lijd zijne vrouw was, de godin des hemels, de schutsvrouw van het huwelijk.

De kuische gade van Jupiter waakte met onverbiddelijke gestrengheid over de huwelijkstrouw onder de menschen, en gelijk zij deze als den eersten plicht beschouwde, zoo was zij zelve ook haar echtgenoot onkreukbaar trouw. Maar Zeus bewaarde zijne trouw aan haar verre van ongeschonden; van hier komt het, dat Hera door de dichters menigmaal als het toonbeeld van eene jaloersche, twistzieke huisvrouw wordt voorgesteld. Zij had dan ook alle reden om jaloersch te zijn, want schier ontelbaar zijn de minnarijen van den koning der goden, die zich dikwijls met de schoone dochters der aarde vermengde en daardoor in waarheid de stamvader werd van een groot deel van het menschelijk geslacht. Al troonde ook Hera als de koningin des hemels op een gouden zetel aan zijne zijde, al viel haar ten gevolge hiervan ook de hoogste goddelijke eer te beurt, toch leidde zij op den Olympus geen vroolijk, onbezorgd leven, dikwijls genoeg kwam het lot hevige huiselijke tooneelen en Zeus maakte dan op onbarmhartige wijze van zijn recht als hoofd des huizes gebruik. Hij bedreigde zijne vrouw niet alleen met slagen, maar hij bracht die bedreiging ook ten uitvoer. Eens zelfs hing hij, in zijne woede, Hera aan het hemelgewelf op, terwijl hij hare armen met gouden ketenen kluisterde.

Heugt het u niet dat gij hoog daar bingt en ik bond aan uw voeten Twee aambeelden, een gouden en onverbreekbaren kluister Sloeg om uw handen? En gij, in het midden van ether en wolken Hingt gij; de goden verkropten hun wrok op den grooten Olumpos,

Maar geen dorst tot bevrijding u naderen, wien ik er aangreep Sleurde ik weg van den drempel en zwierde hem voort, dat hij maehtloos Viel op de aarde; ....*).

Zoo beschrijft Zeus zelf in de Ilias de straf, welke hij eens aan Hera voltrokken had.

Naast Zeus en Hera tretfen wij als de machtigste godheid van den Olympus de maagdelijke Pallas Athene aan. Zij is eene dochter van Zeus. Zeus had gemeenschap gehad met Metis, de dochter van Oceanus; toen deze hem echter voorspelde, dat zij na de geboorte van hare dochter nog een zoon ter wereld zou brengen, die machtiger zou kunnen worden dan Zeus zelf, duchtte hij de geboorte van dien zoon en hij verslond Metis, toen deze reeds van eene dochter zwanger was. Uit het hoofd van Zeus sprong, terwijl de gansche natuur in oproer geraakte, Athene te voorschijn, nadat Ilephaestus of — volgens eene andere overlevering — Prometheus den god met eene bijl den schedel had gekloofd. Pallas Athene is de godin van den blauwen hemel en van het onweer; zij ontving den bijnaam: blauwoogige. Uit geen moederschoot geboren, is hare borst zoo koud als het metalen pantser, waarmee ze bekleed is. Geen gevoel van vrouwelijke teederheid woont in baar boezem; zij kent geene liefde; al baar wellust vindt zij in het slaggewoel; terugstootende koelheid vormt een hoofdtrek van het karakter dezer onvrouwelijke vrouw, dezer kuische, ongerepte maagd.

*) He Ilias van Homeros vertaald door mr. C. Vosmaer, A. W. Sijthoff, Leiden 1880.

Sluiten