Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van eene betooverende hekoorlijklieid is het beeld, dat de diehters ons schilderen van Aphrodite, de uit schuim geborene, de godin der schoonheid en der zinlijke liefde. Ofschoon nauw verwant met de Babylonische Mylitta (zie blz. (14) en de Phoenicische Aschera zie blz. 84), was Aphrodite, naar de dichterlijke opvatting der Grieken, tocli een veel edeler en verhevener wezen. Gelijk er een hemelsbreed verschil bestond tusschen het karakter der Grieken en der Aziatische volken, zoo hadden ook Aschera en Aphrodite eene geheel verschillende gedaante aangenomen. Gene was de grofzinlijke verpersoonlijking van den wellust, deze de liefelijke, aanvallige, teedere hoogdichterlijke godin der liefde, die altijd door de Gratiën werd vergezeld, wier gevolg uit lietdegoodjes bestond. Zij is tegelijkertijd de godin der tuinen en bloemen, van de lente en de lenteweelde.

Een dichterlijk waas ligt er over alle mythen verspreid, waarin de naam van Aphrodite genoemd wordt. In de leute spoedt zij zich door de bloeiende velden naar de minnenden heen; waar zij zich vertoont, daar volgen de dieren der bergen haar onder het bewijzen van allerlei liefkoozingen, en bevredigen hun zoete aandrift.

Hoe bekoorlijk is de mythe van den schoonen Adonis, den verrukkelijken jongeling, die de lust van Aphrodite's oogen uitmaakt, totdat hij op de jacht door een ever wordt gedood. Zoodra Aphrodite den dooden geliefde heeft gevonden, werpt zij zich op het lijk. dat zij met heete tranen besproeit en nog na den dood in hare armen houdt geklemd. Eindelijk ontfermt Zeus zich over haar, en geeft bevel dat Adonis de eene helft van het jaar bij Aphrodite mag vertoeven, terwijl hij de andere helft in het doodenrijkdoorbrengen moet. In de lente en den zomer mag hij zich in het genot van het aardsche leven verblijden; maar wanneer de herfst komt, moet bij naar de dooden terug.

Aphrodite is de verpersoonlijking der schoonheid; zij draagt den verleidelijken gordel der liefde, welken Hera van haar leenen moest, als zij zich verleidelijk wilde voordoen.

Alzoo sprak zij en maakte den gordel zich los van den boezem,

Sierlijk gestikt en die al de betoovering droeg van haar invloed,

Welke den wellust droeg, het verlangend gesmacht, het verlokkend

Minnegekoos, dat den geest der verstandigsten zelfs overmeestert.

Dezen nu stelde zij Hera ter hand en zij zeide de woorden:

— Daar, en verberg in het kleed van uw boezem den sierlijken gordel,

Waar dit al in berust; niet vruchteloos, durf ik u zeggen,

Keert gij terug, maar al wat uw geest overlegde bereikt gij.

Dus haar woord; zacht loeg de godin grootoogige Hera,

Toen zij den liefelijken gordel verborg in het kleed van haar boezem. *)

Dat de godin der zinlijke liefde niet de beschermgodin der huwelijkstrouw was, vloeit uit dat eerste denkbeeld van zelf voort. Zij werd beschouwd als de echtgenoot van Hephaeslus, maar tegelijk ook als de geliefde van Ares, den zoon der strijdlustige Hera, den god van den oorlog, die — in weerwil van zijne ruwheid — door de bekoorlijkheden van Aphrodite aangetrokken was.

Zuiver mensehelijk zijn al de aan Aphrodite toegeschreven eigenschappen, slechts verhoogd en veredeld door de poëzie.

Niet minder mensehelijk zijn ook de deugden van Hermes, eene reeds door de oude Pelasgen aangebeden godheid. Hij is oorspronkelijk de god, die de drijvende wolken doet samentrekken, en door de verkwikkende regenvlaag het frissche groen, tot voedsel voor de kudden, op velden en dreven te voorschijn roept. Hij is de altijd gedienstige, de altijd werkzame vriend der menschen.

De verdichting heeft zich niet bijzondere voorliefde met hem bezig gehouden en zijn eersten jongensstreek in een waarlijk bekoorlijk sprookje mede-

*) Ilias, 14« Bock 214—223.

Sluiten