Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

294 Thersites gestraft; het offer. De strijd. Paris' vlucht.

smeekend zijne stem tot Zeus: »Laat. in zwarte wolken gehulde, gij. die in den aether woont, de zon niet nederdalen, eer ik Priamus' woning verwoest heb, eer de poorten door de vijandelijke vlam vernield zijn, eer ik het pantser, dat Ilectors horst hedekl, heb doen splijten." Nadat hij dit gebed uitgesproken en de heilige gerst gestrooid had, boog hij den hals van den stier achterwaarts en slachtte hem; hierop trokken de helden de huid van bet offerdier af, sneden de dijstukken uit, omwikkelden die met vet en bedekten ze met stukken der ledematen. Dit alles verbrandden zij. draaiden de ingewanden aan het spit in de vlam om en sneden nu ook het overige gedeelte van liet beest aan stukken. Zij braadden bet vleesch aan liet spit voor hun eigen maaltijd en smulden vroolijk na het volbrachte offer.

Na het eindigen van den maaltijd riepen de herauten het volk ten strijde en weldra daverde de bodem aan alle kanten onder den marscli van het oprukkende leger.

Allen grepen naar de wapens en ijlden naar het slagveld. Slechts de vertoornde Achilles bleef met de zijnen, de dappere Myrmidoniërs, bij de tenten achter; zijne strijdwagens stonden met tapijten bedekt, zijne strijders slenterden door de legerplaats rond en vermeden het slagveld.

Ook de Trojanen bleven niet werkeloos. Zoodra liet bericht tot hen werd gebracht, dat de Acbaeërs zich ten strijde rustten, verzamelden zij de benden der bondgenooten en trokken uit de poorten naar buiten teil strijde. Boven alles blonk Paris — of gelijk Homerus hem ook wel noemt — i}e goddelijke held Alexander uit. Versierd met een prachtig luipaardvel, het zwaard aan de heup en twee lansen in de hand drillend, trad hij voorwaarts. Nauwelijks zag Menelaüs zijn vijand voor den drom der Trojaansche strijders uitgaan, of hij sprong snel van zijn strijdwagen af en ijlde op hem toe, om den strijd met hem aan te vangen.

Maar zoodra Alexandros, de godlij ke, dezen bespeurd had,

Schitterend onder de voorsten der strijders, vertsaagde het hart hem.

Binnen den drom zijner vrienden ontweek hij het vreeselijk noodlot,

Zooals een man die met schrik ontvlucht wanneer hij een slang ziet Tusschen des bergdals boomen; een sidder bevangt zijne leden,

I.Tlings vlucht hij terug en de bleekheid dekt zijne wangen,

Zoo ook verborg hij zich binnen de rijen der fiere Trojanen;

Godlijke held Alexandros, bevreesd voor den zone van Atreus. *)

Toen Hector hem vluchten zag, schold hij hem uit en riep hem beschamende woorden toe: «Paris, gij ongelukskind, gij met uw schoon gezicht, gij vrouwengek, gij bedrieger, waart gij maar nooit geboren of ongetrouwd gestorven: waarlijk, dit zou u veel beter zijn geweest, dan dat gij nu voor ons aller oog daar staat als een voorwerp van schimp en spot. Gij bezit noch geest- noch lichaamskracht. Wel hebt gij het gewaagd, eene schoone vrouw te schaken uit een verafgelegen land, uw vader tot een oorzaak van verdriet en u zelf tot eeuwige schande, maar den zoon van Atreus het hoofd te bieden, dat kunt gij niet. Waren de Trojanen maar geene lafaards, ze zouden u reeds lang gesteenigd hebben!"

Beschaamd antwoordde hem |Paris: »met recht berispt gij mij. Hector. Wanneer gij mij echter heden wenscht te zien strijden, welnu, geef bevel dat de Trojanen en Achaeërs het gevecht staken, laat mij dan voor het oog van het gansche volk met Menelaüs een tweegevecht aangaan om Helena en al hare schatten; wie van ons overwint, die moge de vrouw en de schatten in bezit nemen."

Dat was een woord naar het hart van den dapperen Hector. Ijlings trad hij tusschen de vechtende legers in, en verbood verder de lansen te slin-

*) Ilias, 3* boek, vs. 30—37.

Sluiten