Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

298

Aeneas en Aphrodite gewond.

Nu snelde Aeneas niet schild en opgeheven'lans nader, om zijn vriend te wreken. Maar Diomedes greep een ontzaggelijken steen, die zóó zwaar was, dat twee mannen dien niet hadden kunnen dragen, zwaaide dien behendig en slingerde hem tegen Aeneas. Hij trof hem er mede aan het heupgewricht en vermorzelde hem het dijbeen.

Aeneas viel voorover op zijne knieën; inet de rechterhand leunde hij op den grond; zwarte nacht omfloerste zijne oogen. Ongetwijfeld zou zijn laatste uur daar zijn geweest, zoo niet Aphrodite, die den strijd had gadegeslagen, hem te hulp was gekomen, en hem aan het strijdgewoel had ontrukt.

Over den dierbaren zoon hare armen van lichtende blankheid Strekkende, hield zij de plooien van 'tglanzend gewaad als een schutsmuur Over hem heen, dat de speren der Danaërs, vlug met hun rossen,

Niet zijne borst doorboorden en hem ontnamen het leven. *)

Terwijl Sthenelus het kostbare, buitgemaakte span naar de legerplaats voerde, vervolgde Diomedes de godin en aarzelde niet, het bevel van Athene te gehoorzamen. Hij slingerde zijne speer naar de liefelijke godengestalte en verwondde haar aan de hand. Zij gaf een luiden gil en liet haar zoon ter aarde vallen. Maar Apollo ontfermde zich over den gevallene; hij hulde hem in een donker wolkgevaarte en onttrok hem zoo aan de vervolging van Diomedes.

Aphrodite vluchtte weenend tot Ares, die Ier zijde van het slagveld zat, om den bloedigen strijd te aanschouwen. Van hem leende zij den wagen met de met gouden tuigen versierde paarden en voer daarmee omhoog naar den Olympus, om zich bij Zeus te beklagen, die haar zacht onder het oog bracht, dat oorlogszaken ook buiten den kring van hare bemoeiing lagen.

Op dit woord glimlachte de vader der menschen en goden,

Riep Afrodite de gulden godinne dan tot zich en zei haar:

U is het niet gegeven, mijn dierbare dochter, het krijgswerk,

Maar wijd gij uwe zorg aan de lieflijke werken der echtvreugd,

't Andere worde aan Ares, den sterke, betrouwd en Athena. f)

Bij het vervolgen van Aeneas had Diomedes het zelfs gewaagd, zijne speer tegen Apollo op te heffen en slechts aarzelend was hij terug geweken, toen de god hem met eene donderende stem waarschuwde. Toornig begaf Apollo zich nu tot Ares en riep hem op, om zich over de Trojanen te ontfermen.

Tot dus ver was de zege aan de zijde der Achaeërs geweest; maar toen nu Ares zelf tegen hen in het strijdperk trad, toen hij nu eens voor den grimmigen Hector, dan weer voor Aeneas — die genezen in het slaggewoel teruggekeerd was — een andermaal voor andere Trojaansche helden uitging; toen ook Diomedes, die met schrik den krijgsgod aan de zijde der Trojanen strijden zag, terugweek, toen keerde de krijgskans en lot haren spijt bemerkten Hera en Athene, dat de gehate Trojanen zegevierden. Nu namen ook zij het besluit om een werkzaam aandeel aan den strijd te nemen.

Athene wapende zich; de beide godinnen bestegen den vlammenden wagen; krakend openden zich de poorten des hemels, en de godinnen voeren naar beneden, naar de aarde. De blankarmige Hera nam de gedaante aan van den sterken Stentor, wiens stem als koper klonk, en luider dan die van vijftig andere mannen. «Schande over u, verworpelingen, schande over u, volk van Argos!" riep zij. >■ Toen de edele Achilles nog mee ten strijde trok, waagden de Trojanen het nooit hunne stad te verlaten, want zij waren bevreesd voor de krachtig gedrilde lans van Achilles, nu echter is het slagveld ver van de stad, bij de schepen."

*) Ilias, 5" boek, vs. 314—317. f) Ilias, 5e boek, vs. 426—429.

Sluiten