Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

300 Hector daagt den dapperste der Grieken uit. Wapenstilstand.

In wolken gehuld voer de toornige krijgsgod daarop ten hemel, om zich hij Zeus te beklagen. Maar deze zag hem donker aan en sprak: «Zorg, wankelmoedige, dat gij niet aan mijne ooren kermt; gij zijt hij mij gehaat hoven alle goden, want altijd zijt gij slechts op twist verzot. Gij gelijkt op uwe moeder in trots en ondragelijke hardnekkigheid. Waart gij niet mijn zoon. dan had ik u lang naar beneden in de onderwereld geslingerd. Maar nu kan ik het niet langer aanzien, dat gij zooveel pijn lijdt. Ifij gebood den geneesheer der goden de wond te genezen. Hebe baadde den tierenden Ares en bedekte hem met prachtige kleederen.

Hera en Athene keerden nu insgelijks naar den Olympus terug, nadat zij den krijgsgod onschadelijk gemaakt en dus haar doel bereikt hadden. Verwoed zetten dc Trojanen en Achaeërs intusschen den strijd voort; dezegewas nog onbeslist, nu eens neigde zij meer naar de ééne. dan weer naar de andere zijde. De avond viel; daar naderde Helenus, een zoon van Primus, die de gave bezat om uit de vlucht der vogelen den wil van het noodlot op te maken, zijn broeder Hector, en riep hem op om den dapperste der Achaeërs tot een tweegevecht uit te dagen. Hij kon dit gerust doen. want nog had het Noodlot zijn dood niet bepaald.

Hector (rad in het midden tusschen de beide volken. «Hoort mij, gij Trojanen en Achaeërs", riep hij, »Zeus, de verhevene, heeft ons verbond niet tot stand laten komen. Daarom daag ik nu den dapperste uwer heldenwien zijn hart ingeeft om mij te bestrijden, uitkom voorwaarts te treden. Wanneer hij mij doodt, dan moge hij mijne wapenrusting lot buit nemen, maar bet ontzielde lijk zende hij naar Troje, opdat mijne bloedverwanten en mijne vaderstad mij de eer der verbranding mogen verleenen. Zoo zal ook ik, wanneer ik overwin, de geroofde wapenrusting in Troje's heilige veste brengen, om haar in den tempel van Apollo op te hangen, maar het lijk mogen de Achaeërs met pracht begraven en den doode aan den Hellespont een grafheuvel opwerpen."

Zoo sprak Hector; maar de Achaeërs stonden verstomd; hunne eer verbood hun den strijd te weigeren, terwijl aan het aannemen der uitdaging groot gevaar verbonden was. Eindelijk stond Menelaüs op en verklaarde zich bereid om den strijd met Hector aan te gaan, maar Agamemnon verzette zich tegen dit besluit van zijn broeder, wiens kracht tegen die van zijn vijand op verre na niet opgewassen was, en de overige vorsten gaven hem gelijk.

Op Nestors raad stonden nu negen der dapperste Grieksche helden op; het lot zou beslissen, wie van hen den gevaarlijken strijd moest bestaan. Uit den helm sprong hij het schudden het lot van Ajax den Telamoniër te voorschijn, die na Achilles als de sterkste der Achaeërs beschouwd werd.

De beide helden traden tegen elkaar in het strijdperk; zij streden met onvergelijkelijke dapperheid, maar hoewel Hector gewond werd, toch kon geen van beiden den anderen overwinnen. Reeds viel de nacht in, toen twee herauten, zoowel door de Grieken als door de Trojanen gezonden, zich tusschen de strijders plaatsten en hen met hunne staven scheidden.

"Gij zijt beiden dappere strijders," sprak Idaeus, de Trojaansche heraut, «beiden geliefd door Zeus, dat hebben wij allen gezien; maar nu nadert de nacht en het is goed ook den nacht te gehoorzamen." Met onwil riep Ajax: «Vermaan eerst Hector, Idaeus, die de dappersten ten strijde gedaagd heeft; wanneer hij het eerst zijne toestemming geeft, dan gehoorzaam ik u gaarne."

Hierop hernam Hector: «Welnu, laat ons thans van den beslissenden strijd uitrusten, later kunnen wij dien vernieuwen; maar nu valt de nacht in. Laat ons nu elkaar eervolle geschenken ter hand stellen, opdat eens door Trojanen en Achaeërs gezegd worde: «zij streden den strijd der gemoedverterende tweedracht, en toen scheidden zij, in vriendschap weer verzoend."

Zoo sprak Hector; hij schonk aan Ajax zijn zwaard met de scheede, deze vereerde hem daarentegen een schitterenden, purperkleurigen gordel. Vervol-

Sluiten