Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dolon, de Trojaansche verspieder, gevangen, uitgehoord en gedood. 305

zij intusschen den gevaarlijken tocht aanvingen, beloofden zij aan Athene, wier bescherming zij inriepen, rijke offeranden.

Te zelfder tijd als de Grieksche vorsten hielden ook de Trojanen raad; ook zij besloten een spion naar het vijandelijke kamp te zenden, en een vlugge looper, Dolon, verklaarde zich bereid om tot verspieder te dienen, wanneer Hector hem beloofde, dat hij hem na hel overwinnen van de Achaeërs de heerlijke paarden van Achilles zou schenken.

Odysseus en Diomedes hadden slechls een kort eind weegs afgelegd, toen zij Dolon in de verte zagen aankomen; zij herkenden in hem oogenblikkelijk een Trojaansch spion; maar hij had hen nog niet opgemerkt. Om hem des te zekerder te vangen, wierpen zij zich tussclien de in het rond verstrooid liggende lijken Ier aarde en lieten hem voorbijgaan; toen sprongen zij eensklaps overeind en zeilen hem na.

Dolon ging op de vlucht, maar de helden vervolgden hem mei groole snelheid. Zij hadden hem den terugweg naar het Trojaansche kamp afgesneden en dreven hem naar hunne eigene legerplaats toe. Dolon bemerkte eindelijk, dat hij zijnen vervolgers niet ontkomen kon. en toen de speer van Diomedes, door dezen met opzet mis geworpen, hem voorbij snorde, bleet hij van schrik verstijfd staan en smeekte den vorsten op jammerenden toon, dat zij hem toch het leven mochten schenken; zijn vader zou hem zeker met rijke geschenken loskoopen.

Sidderend van vrees bekende Dolon, dat hij als verspieder was uitgegaan en dat Hector hem daartoe overgehaald had. Elke vraag omtrent de legerplaats en de plannen der Trojanen, welke Odysseus hem voorlegde, werd door hem beantwoord. Zoo kwamen de helden te weten, dat ter zijde van het Trojaansche kamp de bondgenooten van Priamus gelegerd waren, dat zij geene wachtposten hadden uitgezet, maar allen in een diepen slaap gedompeld lagen. Aan het uiterste eind van het leger lagen de benden der Thraciërs, die eerst den voorgaanden dag, onder aanvoering van den koningszoon Rhesus, waren aangekomen. De paarden van Rhesus waren witter dan de oogverblindende sneeuw, grooter, sterker en vlugger dan de edelste dieren van hunne soort.

De verrader hoopte, door deze gewillige mededeelingen, zijn leven te koöpen; maar Diomedes was niet van zins hem te ontslaan, ofschoon Odysseus hem dit beloofd had. Dolon werd. ondanks zijne bereidwillige bekentenissen, gedood.

Na het plegen van dezen moord spoedden de helden zich naar de onbewaakte legerplaats der Thraciërs, die zij in den diepsten slaap aantroffen; naast hen lagen de prachtige wapenrustingen, terwijl de stampende tweespannen in de nabijheid der aanvoerders stonden vastgebonden. Te midden der zijnen sliep Rhesus, de koningszoon.

Diomedes zwierf tussclien de slapenden rond en doodde met zijn nooit falenden kling den een na den ander zóó snel en zóó slil, dat allen in den slaap den doodsteek ontvingen. Odysseus trok de stuiptrekkende lijken hij de voeten weg, om een pad voor de paarden vrij te maken, opdat zij bij het gezicht der dooden niet schichtig zouden worden. Rhesus zelf was de dertiende die sneefde. Odysseus had intusschen de melkwitte paarden van Rhesus losgemaakt en buiten den kring der slapenden gevoerd. Wel had Diomedes gaarne nog meer vijanden verslagen, en ook den van gouden versierselen schitterenden strijdwagen geroofd, maar Athene waarschuwde hem; derhalve besteeg hij ijlings een der paarden, Odysseus spoorde de beide rossen met zijn boog lol meerderen spoed aan, en zoo vlogen de ruiters, zoo snel als de edele dieren hen dragen konden, op de schepen der Achaeërs aan. Te rechter tijd! Reeds had Apollo de Trojanen gewekt; toch waagden dezen het niet, hen te vervolgen. Vol afgrijzen en droefheid stonden zij bij de bloedige lijken hunner vrienden. Odysseus en Diomedes keerden ongedeerd terug; zelfs hadden zij onder weg nog gelegenheid om de wapenrusting van den vermoorden Dolon mee te nemen.

Met het aanbreken van de eerste morgenschemering begon de strijd op-

STRICKiUSS. I. 20

Sluiten