Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

312 Hector wordt door Apollo gered. Slachting onder de Trojanen.

lijkst gewond heeft, door mijn liefsten vriend te dooden; langer voorwaar zullen wij elkander niet ontvlucliten. Kom nader!" ging hij met dreigende blikken voort, «opdat gij spoedig het eind van uw leven moogt bereiken!"

Hector antwoordde: «Hoop niet, mij met woorden schrik aan te jagen, als of ik een knaap was; zulke pochende woorden kan ik gemakkelijk op mijne beurt spreken. \\ el weet ik hoe dapper gij zijt en hoever ik bij u achtersta. Maar het berust voorwaar in den schoot der zalige goden, of ik niet misschien, schoon minder sterk dan gij, u van het leven zaf berooven." Met deze woorden slingerde hij zijne lans; maar Athene dreef haar lot hem terug, zoodat zij krachteloos aan zijne voelen neerviel.

Naar wiaak doistend storlte Acbilles onder het uitstooten van een vreeselijken kreet zich op zijn vijand om hem te dooden; maar Apollo hulde dezen in een dichten nevel en voerde hem weg. Driemaal stormde Acbilles mei bliksemenden speer op den nevel los en doorstak dien; de vierde maal riep hij woedend:

— Meer ontvloodt gij den dood, o hond; doch waarlijk uw noodlot

Was nabij ; maar weer ontrukte u 1'oibos Apolloon,

Wien uw gebed vast rijst, als gij gaat waar knarsen de speren,

IJoch vol zal ik u nieten de maat, als ik later u weervind,

Als eens een van de goden ook in ij wil wezen ten helper.

Maar nn keer ik mij weder tot anderen, wien ik er aantref.

Zoo als het goddelijk vuur in de rotsige bergen geslagen Woedt in de diepe valleien, het diehte geboomte in vlam zet,

Als er de adem des winds alom doet warlen den vuurgloed;

Dus ook woedde hij toen alom met zijn speer als een demon,

Immer vervolgend met moord, en het stroomde van bloed op het aardrijk /oo als een man in het tuig van het juk breedkruinige stieren Koppelt om 't heldere graan te vertreden op effenen dorschvloer,

Als er de loeiende runders het graan met hun pooten vermorseleu,

Dus ook Achilleus rossen, inet krachtige hoeven vertrappend Ijijken en schilden te gader; den dissel bemorste van onder t Bloed van den bodem gespat en de randen in 'trond van den wagen, ^t /ij door le trapplende hoeven der rossen er tegen geslingerd,

'tZij door de randen der wielen; hij stormde om roem te gewinnen,

Peleus zoon, en het bloed overdekte zijn toomlooze handen. *)

A iemand was in staat om den onoverwinnelijke weerstand te bieden, yojanen \luchtten voor hem. gelijk een kudde weerlooze schapen, en toen hij ben voor zich uitdreef, zochten zij zich in de bedding van een luischenden stroom te redden. Maar sterk als een god snelde Acbilles hen na en spoedig werd bet water rood gekleurd door bet bloed van hen, die hij met zijn zwaard versloeg. Toen zijne handen eindelijk vermoeid waren van het moorden, greep hij twaalf Trojaansche jongelingen aan, trok hen uit den stioom, bond bun de handen met riemen op den rug en gaf hen aan de zijnen o\er, om hen gevangen naar de schepen te voeren; hierop ving hij opnieuw met zijne meedoogenlooze slachting aan.

Lykaon, een zoon van Priamus, viel hem smeekend te voet; met de eene band omklemde hij de knie van den held, met de andere hield hij de moordende lans \ast; op jammerenden toon smeekte hij om zijn leven.

Vruchteloos was zijn smeeken; in deze borst van staal woonde geen medelijden; onbarmhartig antwoordde hem Acbilles: „Dwaas! Houd op met smeeken. \ roeger, eer Patroclus vermoord was, was ik nog tot verschoonende zachtheid geneigd, maar nu zal niet een der Trojanen, en allerminst een zoon van Priamus, aan den dood ontkomen."

*) Ilias, XX' boek, vers 449—503.

Sluiten