Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

332

Odysseus op het eiland van Aeölus. De noodlottige zak.

der winden, bewoond. In zijn paleis werd Odysseus als gastvriend opgenomen; hij ontving ook een geschenk, namelijk een lederen zak. dien Aeölus zelf met zilveren koorden dichtbond. Hij had al de winden daarin opgesloten, opdat de terugreis van den held zonder eenig gevaar plaats vinden mocht.

Na negen dagen en negen nachten onverdroten voortgeroeid te hebben, zagen de zeevaarders aan den verren gezichteinder de rotsen van hun vaderland Ithaca verrijzen; den volgenden morgen konden zij het eiland bereiken.

Nu meende Odysseus, dat hij zich vrijelijk aan de lang ontbeerde rust overgeven kon: hij legde zich te slapen. De ongelukkige! Toen hij sliep ontwaakte de afgunst in het hart zijner reisgenoolen, omdat hij met rijke schatten naar Ithaca terugkeerde, terwijl zij met leege handen kwamen. Ook in den zak van Aeölus bevonden zich. naar hunne meening, kostbare gouden en zilveren voorwerpen. Om zich hiervan te overtuigen, openden zij den zak, de winden vlogen er uit; eensklaps loeide een orkaan over de zee en dreei het schip ver van de vaderlandsche kusten.

Odysseus ontwaakte spoedig; hij was wanhopig; het liefst had hij zich in het water gestori. om een einde aan zijn leven te maken. In zijn mantel gehuld lag hij in het schip, dat door den storm heen en weer geslingerd in wilde vaart de opgeruide golven doorkliefde en naar het eiland van Aeölus teruggedreven werd.

Odysseus ging aan land en snelde naar het paleis van den god , om hier hulp te zoeken. Hij zag zich in zijne verwachting bitter bedrogen. Als een ellendeling, die door de wraak der goden vervolgd werd, verjoeg de god hem met smaadredenen uit zijne woning.

Nadat zij met een bekommerd hart dit vroeger zoo gastvrij eiland verlaten en zes dagen op zee rondgezwalkt hadden, kwamen zij eindelijk aan het strand der Laestrygonen. waar zij eene voortreffelijke haven binnenliepen.

Odysseus klom op eene hooge rots, om te zien of hij in het woeste en onbebouwde land ook menschelijke woningen ontdekte. Alleen in de verte zag hij rook opstijgen en zond twee zijner vrienden met een heraut derwaarts, ten einde kennis te maken met het volk, dat het land bewoonde. Na korten tijd zagen zij eene stad voor zich. Het bleek hun al te spoedig, in welke , handen zij gevallen waren. De koning Antiphates, een ontzaglijk groote reus, door zijne even reusachtige vrouw naar buiten geroepen, at zonder plichtplegingen een der Grieken op. De twee anderen vluchtten naar de schepen. Maar op den brullenden oorlogskreet des konings snelden duizenden reuzen van alle zijden toe, verpletterden de schepen, regen de ongelukkige bemanning aan hunne speren en droegen hen zoo naar hun huis om hen daar op te eten.

Alleen Odysseus ontkwam met een klein aantal tochtgenooten, dewijl hij zijn schip niet in de haven maar achter eene rots had vastgelegd. De touwen met een zwaardslag door te hakken en zee te kiezen was voor de geredden het werk van een oogenblik.

Zij roeiden op goed geluk verder, kwamen aan het eiland Aeaea fE-e-ai. landden in een door rotsen beveiligde baai en rustten hier twee dagen lang van hun vermoeiend, onafgebroken roeien uit. Den derden dag werd er na langdurige beraadslaging door het lot bepaald, dat Eurylochus aan het hoofd van de helft der nog overgebleven manschappen het binnenste van het eiland verkennen zou. Hier vonden zij een prachtig huis; eene bekoorlijke vrouw opende de deur en noodigde hen vriendelijk uit om binnen te treden. Allen gaven aan de uitnoodiging gehoor, behalve Eurylochus. En nu zag deze weldra tot zijne diepe en smartelijke verbazing, hoe de vrouw zijne tochtgenooten, na hen eerst met keurige spijs verkwikt te hebben, door de aanraking met haar staf in zwijnen veranderde, hen als eene kudde zwijnen naar buiten dreef en hun eikels en ander zwijnenvoeder voorwierp, terwijl zij toch hel verstand en het gevoel van een mensch hadden behouden.

Zoodra Odysseus het bericht van dit treurig voorval uit den mond van

Sluiten