Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aegimius' belofte aan Heracles. 345

een deel hunner drong zelfs tot Attica door, waar zij beveiligd waren tegen de macht der overwinnaars; een ander deel wilde geene bescherming bij vreemden zoeken , met de wapens in de vuist veroverden zij nieuwe woonplaatsen. die zij insgelijks in het Zuiden van Griekenland zochten.

De Minyers van Orchomenus, de Cadmeërs van Thebe werden door ben onderworpen en de vruchtbare vlakten van het schoone meer Copaïs door de veroveraars bezet; De nieuwe heeren van het land werden naar de oude benaming van de streek —- Boëotië — Boëotiërs genoemd. De vroegere inwoners van Boëotië vluchtten voor een deel naar Attica.

Met geen minderen heldenmoed dan de veroveraars van Boëotië was ook een klein bergvolk — dat der Doriërs — bezield,-hetwelk, uit zijne woonplaatsen aan de zuidelijke hellingen van den Olympus verjaagd, zich gewapenderhand van een nieuw land ten zuiden van het Oetagebergte. Doris. meester maakte.

Dergelijke veranderingen, waaromtrent ons echter nauwkeurige berichten ontbreken, vonden ook in het westelijk gedeelte van middel-Griekenland, in Aetolië en Acarnanië plaats. Ook deze landen werden door Noord-Grieksche stammen bezet, door stammen, die door de vroegere bewoners in beschaving verre werden overtroffen. Noord-Griekenland bleef derhalve, evenals de westelijke kust van middel-Griekenland in zeden, kunst en wetenschap langen tijd bij de overige gedeelten des lands achterstaan en verloor vele eeuwen lang alle geschiedkundige beteekenis.

De grenzen van het kleine landschap Doris, waarin de Doriërs zich neergezet hadden, werden voor het krachtig en onrustig volk spoedig te eng; een groot deël hunner zette in vereeniging met vele Aetoliëis den tocht naar het Zuiden voort. Ongeveer in het jaar 11Ü4 v. C. ondernamen deze Doriërs een veroveringstocht naar den Peloponnesus. welks aanleiding ons door de Grieken in den vorm van legenden verhaald wordt.

Toen de Doriërs zich nog in hunne oude woonplaatsen bij den Olympus ophielden, werden zij eens door de Lapithen zeer in de engte gedreven. Zij waren niet bij machte om zich zelf te helpen; hun koning Aegimius riep derhalve de hulp van Heracles in. Hij beloofde den godenzoon, ingeval deze de Doriërs van de overmacht der Lapithen bevrijdde, hem zijne koninklijke waardigheid en buitendien het derde deel van bet geheele gebied in eigendom te zullen afstaan. Heracles kwam en overwon; hij doodde den koning der Lapithen. doch zonder hel toegezegde loon in ontvangst te nemen; hij gaf als zijn verlangen te kennen dal de koninklijke waardigheid voor zijne afstammelingen bewaard zou blijven.

Aegimius hield zijne belofte. Ofschoon hij zelf twee zonen had, gaf hij toch vrijwillig de heerschappij over aan Hyllus, den zoon van Heracles en Dejanira, nadat deze zijns vaders ouden vijand Eurystheus in Attica verslagen had. Als bloedverwant van Eurystheus wilde Hyllus ook diens rijk, Mycene, in bezit nemen, maar hel gelukte hem niet. daar de nakomelingen van Pelops Ie verdringen; al zijne pogingen hiertoe aangewend mislukten. Eerst voor zijne achterkleinzonen, de zonen van Aristomachus, was een zegevierende veroveringstocht weggelegd. Deze, Temenus, Cresphontes en Aristodemus. trokken aan het hoofd van wel 20,000 Dorische krijgslieden uit. om den Peloponnesus te veroveren.

Eene uitspraak van het orakel van Delphi had hun geboden, een drieoogige tot gids te kiezen. Een drieoogig man was moeilijk te vinden; toch gelukte hun dit; want Temenus en zijne krijgslieden ontmoetten den Aetoliër Oxvlus, die ten gevolge van een pijlschot één oog had verloren en die op een paard met twee oogen zat. Met hem en de zich aan hen aansluitende Aetoliërs trokken de Heracliden naar den Peloponnesus. In een grooten veldslag behaalden zij de overwinning.

Het lot zou nu beslissen, welk deel van het veroverd grondgebied door elk der drie broeders bestuurd zou worden. Hij, wiens lot bet eerst uit de

Sluiten