Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het koningschap door den adel ondermijnd. 347

die tol den ouden Pelasgischen stain behoorden, werden weinig of niet bemoeilijkt; Arcadië behield zijne onafhankelijkheid. Tusschen dit land en de vreemde overwinnaars ontstond zelfs eene vriendschappelijke betrekking, daar de koning van Arcadië zijne dochter aan Cresphontes tot vrouw gaf.

In de overige landen van den Peloponnesus hadden de oorspronkelijke bewoners een harder lot te verduren; bovenal was dit het geval in Laconië. waar zij dikwijls met gruwelijke wreedheid behandeld en eindelijk voor een deel tot slaven van den staat gemaakt werden. Al was het lot der onderworpen volken elders ook niet zóó treurig, nergens ontvingen zij gelijke rechten met de overwinnaars. De Eliërs daarentegen werden door de Aetoliërs geheel als hunne gelijken behandeld en maakten met hen één volk uit. Na de Dorische volksverhuizing — zoo wordt de Grieksche volksbeweging in de geschiedenis genoemd — zien wij de hoofdstammen der Grieken op de volgende wijze over het vasteland verspreid. In den Peloponnesus vormden de Doriërs de overgroote meerderheid; zij beheerschten Messenië, Laconië, Argolis, den Istlunus en zelfs het nog noordelijker gelegen Megara. Het grondgebied der Ioniërs was tot Attica, dat der Achaeërs tot Achaia beperkt. Al de overige Grieksche stammen, hoe verschillend ook hunne oorspronkelijke afkomst wezen mocht, droegen den gemeenschappelijken naam Aëoliërs. Het geheele Grieksche volk met al zijne stammen treedt voortaan onder den naam Hellenen in de geschiedenis op.

Al bad de Dorische volksverhuizing de vele kleine rijken van den heldentijd vernietigd, toch was het er verre af, dat zij daardoor het Grieksche volk tot één geheel zou hebben verbonden. De verschillende stammen waren niet eens bij machte om één afzonderlijken staat te vormen; ook in hun boezem bleef de vroegere versnippering voortduren. Het lag nu eenmaal in den aard van het Grieksche volk, dat de verschillende kleine staten zich niet dan hoogst ongaarne tot één grooten staat vereenigden, en dat elk hunner zijne vrijheid en zelfstandigheid poogde te bewaren. De natuur van het door zoovele bergruggen en kloven doorsneden land begunstigde deze neiging, welke ook in de koloniën bare getrouwe uitdrukking vond. Wij hebben gezien, dat de Grieksche volkplantingen op de kusten van Klein-Azië. zelfs wanneer zij door een gemeenschappelijk gevaar bedreigd werden, er toch niet toe komen konden zich in een nauw verbond aan elkander aan te sluiten (zie hl. 176 en 177).

De liefde tot de vrijheid, welke het ontstaan van één grooten, Helleenschen staat verhinderde, openbaarde zich evenzeer in de ontwikkeling der staatsinrichting in de verschillende landen. Zij leidde zoowel op het vasteland als in de koloniën tot de afschaffing van het koningschap en. na veelvuldige overgangen, tot de aristocratische en zelfs tot de democratische republiek.

Gedurende het tijdperk der volksverhuizing, waarin de voortdurende krijgstochten een eenhoofdig bewind noodzakelijk maakten, was het koningschap nog in luister en macht gestegen. De koningen regeerden met bijna onbeperkte willekeur. De adel, aan wiens besluiten in de raadsvergaderingen de koningen tot nu toe min of meer gebonden waren geweest en die bij de rechtspraak aan zijne zijde gezeten had, was gedwongen geweest om zich even als het overige volk aan de koninklijke macht te onderwerpen.

Reeds vroeger was er onder de Grieken een adelstand ontstaan. De bezitters van uitgestrekte akkers en talrijke kudden, wien het ten gevolge van hun rijkdom vergund was, zich uitsluitend met wapenoefening bezig te houden, die de jacht en den oorlog tot het doel huns levens kozen, hadden ten gevolge hiervan zoo veel boven het overige volk vooruit, dat zij zich langzamerhand meer van het volk terugtrokken en een afzonderlijken stand uitmaakten. Dooide volksverhuizing zelve was het aantal der adellijke familiën nog toegenomen en in het pas veroverd land stond de adel nog scherper tegenover de onderworpen boeren en herders, het eigenlijke volk, dan vroeger in het oude vaderland.

Ook in de Grieksche koloniën had zich reeds vroeg een adelstand gevormd.

Sluiten