Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aristocratie en het volk.

349

natuur en zijn innigst wezen vreemd was, en waarvoor alleen de hulp van den priester hem geschikt kon maken. De Grieksche goden waren niets dan liooger ontwikkelde wezens van dezelfde natuur als de menscli, met menschelijk gevoel, menschelijke neigingen, menschelijke hartstochten. Tusschen de goden en de menschenwereld bestond er geene scherpe tegenstelling. Tol hel dagelijksch verkeer met de Godheid had men geen tussehenpersoon noodig; een ieder mocht zelf zijne offeranden brengen en, al vervulden ook bij groote offerfeesten de koningen en de aanzienlijken — gelijk uil den aard der zaak volgde — de rol van offeraars, zoo sloot dit aan den anderen kant van zelf hel ontstaan van eene machtige priesterkaste uil. Waar onder begunstiging van plaatselijke omstandigheden, bij het een of ander orakel misschien een erfelijke priesterstand ontstond, daar strekte zijn invloed zich zelden buiten de grenzen van het kleine land uit. Wichelaars, die uit de vlucht der vogelen, offerprofeten, die uit de offeranden den wil der goden verklaarden, stonden, evenals de bewaarders van de heiligdommen, bij het volk wel iu groot aanzien, maar zonder dat zij daarom builen het maatschappelijk leven een bijzonderen stand vormden, die zich tusschen het volk en de godheid indrong. Alleen bij bet orakel van Delphi treilen wij, gelijk wij spoedig nader zullen zien, een erfelijken priesterstand aan, die een ver reikenden staatkundigen invloed uitoefende. De gevaarlijkste vijand van alle volksvrijheid was dus in Griekenland niet aanwezig en bierdoor werd het mogelijk, dat het koningschap niet alleen door den adel, maar in vele staten ook dooi' het volk van zijne macht beroofd werd.

Het afzetten van de koningen wierp in den aanvang voor de ontwikkeling van het vrije volksleven weinig vruchten af, want het hoogste staatsgezag ging alleen uit de band van één bevoorrechte in de band van vele bevoorrechten over. De adellijken — de besten oi «jittoi noemden zij zich — regeerden zoo als vóór hen de koningen geregeerd hadden, en het volk liet zich dit langen tijd gaarne welgevallen, want, ver verheven boven den adel van menig later tijdperk, noemden de hoofden des volks zich niet alleen de besten, maar zij streefden er ook naar waarlijk de besten te zijn; zij waanden niet, dat zij alleen rechten tegenover de overheerschten bezaten, zij wisten dat zij ook plichten tegenover hen te vervullen hadden, en hun groote rijkdom, die hen ontsloeg van de noodzakelijkheid om door het uitoefenen van een burgerlijk bedrijf in hunne dagelijksche behoeften te voorzien, veroorloofde hun al hun tijd belangeloos aan bet welzijn van den staat ie wijden.

De adel, van der jeugd af aan krijgshaftige spelen gewoon, werd voor den krijgsdienst opgevoed; op hem rustte de plicht om in tijden van gevaar den staat met de wapenen te beschermen, om iu den oorlog steeds in het eerste gelid, hetzij te paard, heizij te voet, te strijden. De knechten deiadellijken moesten hunne meesters in het veld vergezellen en geene vergoeding, hoe ook genaamd, werd hiervoor den adel toegestaan. In vredestijd moest hij evenzoo ten nutte van het gemeenebest werkzaam zijn; de regeeringsposten en rechterlijke ambten werden door den adel zonder bezoldiging bekleed, en — wat nog meer zegt — wanneer de staat geld noodig had, dan was het de adel, uit wiens beurs de belastingen in de schatkist vloeiden. Tot zulken prijs zouden misschien ook vele andere volken de heerschappij van den adel zich laten welgevallen. De aristocratie had de zegepraal over het koningschap behaald. Zou zij echter voordeel trekken uit hare overwinning, zou zij bij machte zijn om den staat gemeenschappelijk te besturen, dan had zij eene bij de wet geregelde inrichting van het staatsbestuur noodig. Zoo zijn werkelijk de eerste staatsinrichtingen in dien tijd in Griekenland ontstaan. De adel was verdeeld in geslachten en stammen, aan allen werd een gelijkmatig aandeel in de regeering en de wetgeving toegekend. In den boezem der adellijke geslachten was het bestuur meestal onder allen, als daartoe evenzeer gerechtigd, verdeeld.

Sluiten