Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

364 De Hellenenrechtei'. De wedloop. Het worstelen. Het vuistgevecht.

De trompet schetterde; de heraut kondigde liet begin van den wedstrijd aan; de kampioenen werden geroepen en door den kamprechter aldus toegesproken: «Wanneer gij u alle mogelijke moeite getroost hebt, gelijk het hun betaamt, die de kampplaats van Olympia willen betreden, wanneer gij u aan geene onedele daad hebt schuldig gemaakt, treedt dan moedig en vol vertrouwen nader. Maar wie van u zich niet plichtmatig gedragen en niet behoorlijk geoefend heeft, die ga weg van hier, waarheen hij wil." Hierop leidden de herauten de kaïnpioenen over de kampplaats, terwijl zij hun naam en hun vaderland uitriepen. Bij hel afroepen van eiken naam vroegen zij met luider stem, of iemand der aanwezigen dien kampioen ook van eene onedele daad betichten kon. Verhief zich dan uit het midden der toeschouwers eene stem der aanklacht, dan moest de rechter oogenblikkelijk beslissen of de beschuldiging gegrond was en of de beklaagde tot den wedstrijd toegelaten of daarvan uitgesloten moest worden. Zwegen de toeschouwers, dan werden de kampioenen naar eene zilveren vaas geleid, waarin de loten zich bevonden. Na het uitspreken van een gebed trok ieder zijn lot, waarop door kleine letters aangeduid was, welke kampioenen zich met elkaar zouden meten.

»De wedstrijd begint.' riepen de herauten, »Zeus zal de overwinning verleenen!"

In liet allervroegste tijdperk werd er — naar men meent — geen andere wedstrijd dan de wedloop gehouden; wel bleef hij voortdurend in het hoogste aanzien staan, maar in verloop van tijd werden toch vele andere lichaamsoefeningen hierbij gevoegd en daardoor de duur der spelen van één dag tot vijf dagen verlengd.

De wedloop begon. Zij. die naar den prijs dongen, waren in afdeelingen van vier man gesplitst; geheel naakt verschenen zij op de plaats, waar de loop een aanvang nam, het wit was aan de andere zijde der baan, daarachter zat de Hellenenrechler. Zij, die in de afzonderlijke afdeelingen de overwinning behaald hadden, gingen een nieuwen wedstrijd met de overige overwinnaars aan, tot dat één hunner eindelijk de zegepraal over al de overigen behaald had. Nu riep de heraut den naam van den gelukkige uit en de rechter reikte hem een palmtak toe.

Men ging over tot het worstelen; de kampioenen hadden hunne huid met olie ingewreven, opdat de hand hunner tegenpartij van het gladde lichaam zou afglijden. Met voorovergebogen bovenlijf stonden zij tegenover elkaar, gereed om elkander aan te grijpen. Het doel van den worstelaar was, zijne tegenpartij in de hoogte te heffen en hem dan op den grond te werpen. Bij dezen strijd vooral moest de kamprechter nauwlettend toezien, dat geene kwade praktijken werden aangewend. Gebeurde dit, dan trad de stafdrager tusschen de kampenden in; de overtreder werd gegeeseld en met eene geldboete gestraft.

Een gevaarlijke strijd was het vuistgevecht, De onderarmen der strijders waren omwonden met lederen riemen, van metalen knoppen voorzien; daardoor kwamen de slagen veel krachtiger neder.

Bij het vuistgevecht werden bijna altijd zware kneuzingen toegebracht, zeer dikwijls zag men de overwonnenen bewusteloos wegdragen; meer dan eens bleven zij op de plaats dood, doch in dat geval ontving de overwinnaar geene onderscheiding.

In lateren tijd, van het jaar 680 v. C. af, werden ook wedrennen gehouden op wagens met vier paarden bespannen. Hieraan nam vooral de adel deel, want alleen de rijksten waren bij machte om er een vierspan voor den wedren op na te houden. In den Hippodromus, de renbaan voor de wagens, had de wedstrijd plaats. De baan had een breedte van 400 voet en was tweemaal zoo lang als het stadium. Om de overwinning te behalen, moest men haar twaalf maal hebben rondgereden. Op een teeken van den kamprechter werden de touwen, die de plaats van den afrid van de ren-

Sluiten