Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

394 De bergvesting Ithome ingenomen. Opstand der Messeniërs.

te loopen; de rammen, die geotterd moesten worden, stieten met de hoornen tegen het 'altaar; alle oiïerteekenen waren ongunstig.

Aristodemus kon op zijne legerstede geen rust meer vinden; in den droom verscheen hem zijne dochter, die een wit lijkkleed over hem heen wierp en hem zijne wapenen ontnam. Nu bespeurde hij, dat hij het liefste wat hij bezat vruchteloos ten oll'er gebracht had, dat Messenië door den wil der goden tot den ondergang was bestemd. In zijne wanhoop doodde hij zich zelf op het graf zijner dochter.

Voortaan was het krijgsgeluk voor goed van de Messeniërs geweken; al hunne pogingen om de belegeraars terug te werpen waren vruchteloos. Dooiden honger gedwongen, verliet het overschot van het leger den bergrug Ithome. om zich in de gebergten nabij de grenzen van Arcadië terug te trekken.

Zoo was het laatste bolwerk van hun land gevallen, zoo werd Messenië in het jaar 710 v. C. door de Spartanen veroverd.

Treurig was het lot van het onderworpen land: een deel der aanzienlijkste geslachten verliet hun geboortegrond; de achterblijvenden werden door de overwinnaars tot Heloten gemaakt. Ofschoon zij oorspronkelijk tot den ouden Dorischen adel behoorden, ondergingen zij geen ander lot dan de onderworpen Achaeërs, die aan den grond gebonden de overwinnaars als slaven dienen moesten. Men verhaalt dat koning Polydorus uit de goederen der overwonnenen 3000 nieuwe riddergoederen voor de jongere zonen der adellijke Spartaansche familiën gevormd heeft. Al kan de juistheid der opgave van dit getal ook met recht in twijfel worden getrokken, zeker is het, dat den jongeren zonen der Spartaansche edelen aanzienlijke bezittingen in het veroverde land werden toegewezen.

Ook na de verovering van Messenië rustten de Spartaansche wapenen niet. Binnenlandsche onlusten, welke in den nieuwen, nog niet op vaste grondslagen gevestigden staat uitgebroken waren, werden wel gedempt, en de aanstokers verlieten wel hun land, orn, overeenkomstig eene uitspraak van het Delphisch orakel, Tarente te stichten (708 v. C.), maar de koningen Theopompus en Polydorus meenden toch, dat er nog al te veel brandstof overgebleven was en dat zij die niet beter onschadelijk konden maken, dan door het ondernemen van nieuwe veroveringstochten. Hierom keerden de Spartanen hunne wapens tegen Argos en Arcadië en ook hier slaagden zij er in, hun grondgebied met eenige landschappen te vergrooten.

Al groeide Sparta's macht onophoudelijk aan, toch had de staat van Lycurgus. eer zijn bestaan voor goed verzekerd was, nog menigen zwaren strijd te voeren; den heetsten strijd hadden zij te voeren met de Messeniërs, die al hunne krachten inspanden om het harde juk, hun opgelegd, weer af te schudden.

Een nieuw geslacht was hier opgegroeid; de krijgshaftige jeugd van Messenië had de herinnering van de vrijheid harer vaderen bewaard en was bereid om die met opoffering van haar leven te heroveren. Niet geheel Messenië was aan de heerschappij der Spartanen onderworpen. In het noorden, aan de Arcadische grenzen, hadden eenige districten, b. v. de stad Andania, hunne vrijheid weten te behouden; ook aan de westkust waren eenige door Achaeërs bewoonde streken, gelijk vroeger van de overheersching der Messenische Doriërs, zoo ook nu van die der Spartanen bevrijd gebleven. Deze duchtten de aangroeiende macht van Sparta en toen nu te Andania de strijd der Messeniers tegen de onderdrukkers ontbrandde, sloten zij zich aan de eersten aan. Ook de Arcadiërs en de in Elis woonachtige Pisaten begunstigden den opstand die zich in korten tijd op onrustbarende wijze uitbreidde.

Geheel het Messenische volk vloog als één man te wapen; met de Achaeërs Arcadiërs en Pisaten vereenigd, keerde het zich tegen de Spartanen, bij wie in dezen nieuwen oorlog niet, gelijk vroeger, dappere en in de krijgskunst bedreven koningen aan het hootd der legers stonden, maar zulke onbeduidende vorsten, dat zelfs hunne namen niet tot ons gekomen zijn.

Sluiten