Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

440 Pythagoras' denkbeelden omtrent s' mensehen bestemming.

gelijk we reeds gezegd hebben, de rede, de harmonie; de twee, als veranderlijk en onbepaald, de meening; de vijf, als de verbinding van het eerste oneven mannelijk getal. drie, met het eerste even vrouwelijk getal. twee. het huwelijk. Zeven was het getal der gezondheid, acht dal der liefde, der vriendschap, des gevoels en der wijsheid. De eerste kwadraatgetallen, vier (twee maal twee) en negen (drie maal drie), waren de getallen der gerechligheid, die elke zaak met gelijke male meet.

De vaste, ja onomstootelijke wetten, die Pythagoras in de wiskunstige getallen vond. werden door hem ook op het maatschappelijk leven toegepast; zijn grondbeginsel was dientengevolge: de wet te gehoorzamen, de wet tegenover eiken wederstand te handhaven. Hierdoor werd hij een dwepend aanhanger der partij van den adel, een verbitterd vijand der democratie, die hij als de heerschappij eener ruwe, losbandige, wettelooze menigte beschouwde.

Met deze nuchtere wereldbeschouwing, welke alle natuurwetten in dorre cijfers oploste, waren Pythagoras denkbeelden omtrent de bestemming van den inensch verbonden, wier diepe mystiek eene zonderlinge en scherpe tegenstelling met zijne overige begrippen vormde. Het doel van het bestaan zoowel van eiken mensch in het bijzonder, als van den staat in het algemeen was, volgens henï, zich tot eene volkomen harmonie te ontwikkelen. Derhalve schreef hij als eerste wet matigheid in het gebruik van spijs en drank, ook in het genot der zinnelijke liefde voor, want de harmonie, de samenwerking van alle deelen van het lichamelijk organisme, werd door onmatigheid verstoord. Ten einde de harmonie, het evenwicht van alle vermogens der ziel, le bevorderen, moest de mensch bedachtzaamheid, doorzicht en heerschappij over zijne neigingen en hartstochten bezitten; in eene door geene hartstochten verstoorde gemoedsrust bestond de eigenlijke harmonie en het waarachtig geluk. De vriendschap, als bestaande in de harmonie der zielen, was in zijn oog eene groote deugd. Ook in den dagelijkschen omgang moest een ieder de rust en de harmonie van zijn zieleleven openbaren. Zijne aanhangers moesten noch lachen noch schreien, noch somber, noch uitgelaten, maar vriendelijk, kalm en eerbaar zijn. Uiterlijke pracht en weelde waren eene soort van onmatigheid, derhalve verhief Pythagoras zijne stem tegen eiken tooi en ieder sieraad. De grootste eenvoud, ook op het gebied van het geestesleven, was in zijn oog de hoogste wet. Wanneer men hem den eertitel van leeraar der wijsheid (sophist) gaf, verklaarde hij slechts een vriend der wijsheid (philosoof te zijn; van hem dagteekent de naam philosopliie, aan de wetenschap bij uitnemendheid, het zoeken naar waarheid op elk gebied des menschehjken levens, geschonken.

Volgens de leer van Pythagoras bestond er tusschen de zinnelijke en de bovenzinnelijke wereld een harmonische samenhang. Tot de laatste, de bovenzinnelijke wereld, behoorden de zielen na den dood. Zij moesten zich gedurende het aardsche leven zooveel mogelijk rein houden van alle besmetting der stoffelijke dingen, om in de eeuwige harmonie opgenomen te kunnen worden. Uit dit beginsel vloeiden lastige voorschriften van uiterlijke reinheid voort, die door Pythagoras aan den godsdienst der Egyptenaars ontleend waren. Hij verklaarde sommige spijzen, vooral visschen, voor onrein en verbood baaigebruik. Volgens berichten van later dagteekening heeft Pythagoras zelfs het gebruik van alle vleeschspijzen verboden; hij zelf leefde slechts van honig, brood en groenten.

Alle heldere en witte kleuren waren hem een beeld van het goede en reine; al wat donker en zwart was vertegenwoordigde daarentegen het booze en onreine. Hij eischte dus, dat de menschen, in een smetteloos wit kleed gehuld en met een rein gemoed tot de goden zouden naderen, maar hij verbood hun alle gemeenschap met het goddelijke, wanneer zij zich — hetzij door slechte daden, hetzij door het aanraken van een lijk. hetzij op eenige andere wijze — verontreinigd hadden.

Sluiten