Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Themistocles en Aristides.

463

tuurlijk hand aan hand, zij vloeiden daaruit onvermijdelijk voort. Themistocles deinsde niet terug voor de natuurlijke gevolgen van zijne denkbeelden; stoutmoedig trad hij met zijne hervormingsmaatregelen voor den dag, en stelde voor om de vloot op eene sterkte van 200 groote schepen te brengen, ten einde zoowel tol den oorlog met Aegina als tegenover een nieuwen aanval der Perzen toegerust Ie zijn. Dit voorstel ontmoette een heiligen tegenstand. Aan het bool'd van zijne bestrijders stond Aristides. Ook hij doorzag de gevolgen , welke het opleggen van de oorlogslasten aan de Theten na zich zou sleepen; ook hij wist, dat daarmede eene vermeerdering van hunne staatkundige rechten gepaard moest gaan. Maar juist hierom oordeelde hij toen het invoeren van zulke nieuwigheden ongeraden; want hij wilde de staatsregeling van Clisthenes handhaven en de democratie niet huilen hare grenzen uitgebreid zien. Daarenboven wantrouwde hij Themistocles; hij vreesde dat deze zich aan het hoofd van den vierden stand tot een trap van macht zou verheffen, die voor het welzijn van den staat schadelijk blijken zou.

De bevoorrechte klassen, de Pentakosimedimnen, de Ridders en Zeugiten, ondersteunden Aristides in zijn tegenstand; zij wilden hel recht tot verdediging van het vaderland uitsluitend voor zich behouden en den Theten geene deelneming daaraan vergunnen. Maar alle tegenstand der bevoorrechte standen was vruchteloos. Themistocles wist in de volks\ergadering zijne voorstellen door te drijven, want hij had het juiste tijdstip daartoe gekozen. Men kon hem niet tegenwerpen, dat de middelen oin eene groolere vloot te bouwen niet voorhanden waren, dewijl de staat juist in het bezit van groote schatten was. Athene bezat eene rijkelijk vloeiende bron van inkomsten in de zilvermijnen, die in het zuiden van het land gelegen en in erfpacht uitgegeven waren. De erfpachters moesten eene som gelds in ééns voor elk stuk grond, dat zij ontgroeven, en daarenboven ruim vier percent van de bruto-opbrengst der mijnen betalen. Langzamerhand waren deze bijdragen lot eene aanzienlijke som aangegroeid, welke men van plan was onder de burgers te verdeelen. Themistocles daarentegen stelde den aanbouw van 20 nieuwe schepen voor, en zijn voorstel werd door de burgers, met opoffering van het aandeel waarop het uitzicht hun geopend was, in het jaar 187 bereidvaardig aangenomen.

Twintig nieuwe schepen beteekenden wel iets, maar zij waren toch niet voldoende om Athene tot eene zeemogendheid te verhellen, die tegen de Perzen was opgewassen. Zou het plan van Themistocles gelukken, dan moest de vloot jaarlijks met een gelijk aanlal schepen vermeerderd worden. Met elk jaar werd echter de tegenstand, dien zijne voorstellen ontmoetten, heftiger, want de jaarlijksche opbrengsten der zilvermijnen waren tot den aanbouw van twintig groote oorlogschepen niet toereikend. De burgers der vierde klasse verklaarden zich bereid om zich de lasten van den zeedienst te getroosten; maar de drie hoogere klassen wilden niets weten van eene deelneming der Theten aan de verdediging van het land. Zoowel de raad als de volksvergaderingen waren het tooneel van onophoudelijke twisten.

Aristides had zich tot beginsel gesteld, elke voordracht van Themistocles te bestrijden, al hield hij die ook voor doelmatig, dewijl hij vreesde, dat de macht van zijn tegenstander, wanneer diens voorstellen aangenomen werden, op eene bedenkelijke wijze aangroeien zou. Zulk een strijd moest op den duur voor den staat verderfelijk zijn; Aristides gevoelde dit zelf; toen hij op zekeren dag eene overwinning op Themistocles behaald had, door een van diens voorstellen, waarvan hij zelf zich het nut niet ontveinzen kon, te doen verwerpen, sprak hij onder het naar huis gaan met neergeslagen blikken tot een zijner vrienden: «Het zal Athene niet wel gaan, voordat men Themistocles en mij daarbij in den Barathron * geworpen heeft".

*) De afgrond, waarin de landverraders den dood vonden.

Sluiten