Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marsch door Thracië en Macedonië.

469

de koning zich van een zeer bijzonder middel. Eene vooraf getelde afdeeling van 10,000 man ontving bevel, 0111 hare gelederen zoo nauw aaneen te sluiten als maar mogelijk was. Rondom haar werd eene soort van schutting gebouwd; hierop verliet de afdeeling deze plaats en nu moesten alle soldaten, de bemanning der oorlogs- en der transportvloot, zoowel als de geheele tros des legers, na elkander bij troepen binnen de schutting treden. Op die wijze werd deze omheinde plek 170 maal gevuld en weer ontruimd. Hieruit bleek, dat Xerxes een leger van 1,700,000 menschen aanvoerde, waarbij zich later nog de hulpbenden der Thraciërs, der Macedoniërs en der Ionische kuststeden voegden. Ongeveer 900,000 man behoorden hiervan tot het leger.

De verdeeling van het leger in drie groote hoofdkorpsen, de onderverdeeling in afdeelingen van I0,(X)0 man, de benoeming van de bevelhebbers, de organisatie van de oorlogsvloot, die uit 1207, en van de transportvloot, die uit 300 vaartuigen bestond, vorderden natuurlijk eenigen tijd.

Hierop hield Xerxes nog ééue groote monstering en nu brak het leger in het begin van Juni 480 van Doriscus op, terwijl ook de vloot het anker lichtte.

De linkervleugel, die langs de kust moest marcheeren. stond onder het bevel van Masistes, een broeder van Xerxes, en van Mardonius. De rechtervleugel, die langs den voet van het gebergte voorwaarts trekken moest, werd door Smerdomanes en Megabyzus aangevoerd. Bij bet centrum bevond zich Xerxes zelf, die in het midden van zijne troepen in zijn overdekten wagen voortreed. Voor hem uit ging een deel zijner lijfwacht; vervolgens kwamen de heilige paarden van Mithra, tien uitgelezen schimmelhengsten uit de Medische stoeterij te Nisaja; hierop volgde de heilige wagen van Mithra, die door acht schimmels aan een gouden juk voortgetrokken werd. Geen sterveling mocht dien wagen bestijgen; zelfs den wagenmenner was dit niet geoorloofd, hij ging te voet naast do paarden. Achter den wagen van Mithra ontdekte men den koninklijken strijdwagen, insgelijks met Nisaeische paarden bespannen, waarop eindelijk de wagen des konings, de lijfwacht en de afdeeling der onsterfelijken volgden.

Het leger rukle door Thracië en Macedonië voorwaarts; gedurende den marsch nam het de Thracische en Macedonische hulptroepen op, terwijl 120 schepen der Grieksche kuststeden zich met de vloot vereenigden.

Meer dan ééne vreemde en afgrijselijke plegtigheid werd gedurende den tocht gevierd. In Thracië, bij de zoogenaamde negen wegen, werden door de Magiërs negen Thracische knapen en even zoo vele meisjes levend begraven.

Bij den Strymon, waarover vooraf eene brug geslagen was, werden ter eere van den stroom witte paarden door de Magiërs geslacht.

In Thracië ondervond het leger op zijn marsch slechts zeer geringe bezwaren; doch in Macedonië moest de weg eerst door wouden en over bergen worden gebaand. De legertrein had hier veel te lijden van leeuwen en andere wilde dieren, die zich in deze onherbergzame streken in grooten getale ophielden. Somtijds verliepen er vele dagen, eer de boomen geveld waren, die uit den weg moesten worden geruimd om een weg door de wouden te banen; al deze bezwaren werden evenwel overwonnen, het leger drong voorwaarts en bereikte, zonder ernstig bedreigd te zijn geweest, de grenzen van Griekenland.

De koning beeldde zich in, dat hem slechts een lichte strijd te wachten stond; want eer bij nog den Helleenschen grond betreden had, was hij reeds begroet door de van Sardes uitgezonden herauten, die, uit Griekenland weergekeerd, hem uit de meeste Grieksche staten aarde en water, de schandelijke teekenen der onderwerping, overbrachten.

Sluiten