Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

476 De Thermopylae.

zeer veranderd, vooral dewijl de kust broeder geworden is, strekte het gt^ met zijne hooge, steile rotswanden van kalksteen zich tot in de nabijheEL de zee uit, zoodat het zelfs scheen, alsof de voet der rotsen door de gv„ bespoeld werd. Eerst wanneer men vlak voor den bergpas stond, bemt,, men, dat tusschen de zee en de rotsen een weg zich opende, juist breed. „ noeg om met een wagen bereden te worden. Uit was de eerste toegang tot den pas; achter deze poort weken de rotswanden een weinig terug. Ongeveer een half uur achter dien eersten toegang ontsprongen twee waterrijke, heete zwavelbronnen, door Sophocles de door rotsen omringde warme baden genoemd; men meent, dat de pas hieraan zijn naam ontleend heeft. Op korten afstand van deze bronnen strekten de rotsen zich opnieuw tot in de onmiddellijke nabijheid van het zeestrand uit en vormden zoo eene tweede poort, die niet breeder was dan de eerste. Langs den geheelen pas vormde de zee een onpeilbaar moeras, zoodat de smalle dam. die langs de rotsen liep, de eenige weg was, waarlangs men aan het zeestrand van Noord- in Middel-Griekenland kon komen.

Leonidas had tot de verdediging van dezen pas besloten. Hier kon hij met hoop op goeden uitslag, in weerwil van het kleine aantal zijner soldaten, den marsch der Perzen ophouden. Men had hem meegedeeld, dat van de stad Trachis, die aan de noordzijde van het gebergte lag, een voetpad over den berg leidde, waarlangs de pas omgetrokken worden kon. Ook dit voetpad moest verdedigd worden. Leonidas droeg deze taak op aan 1000 Phocensers, die zich vrijwillig hiertoe hadden aangeboden. Ilij meende zich des te eerder op hen te kennen verlaten, dewijl, ingeval de Perzen zegevierden, hunne woonplaats het eerst en dus het ernstigst bedreigd werd. Duizend hopliten zouden zeker wel voldoende zijn om een smal voetpad hoog in het gebergte te verdedigen.

Het Perzische leger had intusschen bij Trachis zijn kamp opgeslagen; de geheele \ lakte van de rivier den Sperchius was metde Aziatische krijgslieden bedekt.

Aan vele Grieken in het leger van Leonidas ontzonk de moed bij den aanblik van de Perzische troepen; zij eischten dat men terugtrekken zou. Doch hiertegen verzetten zich de Phocensers en Locriërs, wier land door zulk een terugtocht weerloos aan het geweld der vijanden zou worden prijsgegeven. Bij hen sloten de Spartanen zich aan; dezen toonden zich thans den roem waardig, dien hunne voorvaderen zich in eiken strijd door hun onwankelbaren moed verworven hadden.

Toen een overlooper uit Trachis, kort vóór de aankomst van hel Perzische leger, verhaalde, dat hij de vijanden gezien had en dat zij zoo talrijk waren, dat de zon door de pijlen der boogschutters verduisterd werd, antwoordde een Spartaan — Dieneces — hem lachend: »Gij brengt ons goede tijding; wij zullen dus in de schaduw vechten."

Zulke stoutmoedige woorden, gevoegd bij de standvastigheid, welke ook de Phocensers en Locriërs ten toon spreiden, bezielden de overige Hellenen met nieuwen moed. Zij besloten stand te houden.

Xerxes had reeds in Thessalië tot zijne verbazing het bericht ontvangen, dat de Grieken van plan waren om bet Oetagebergte te bezetten en hem daar het hoofd te bieden. De boden, welke deze tijding overbrachten, verhaalden, dat eenige honderden manschappen zich in den pas der Thermopylae gelegerd hadden, dat zij daar met elkaar speelden en wedloopen hielden, ja zich gedroegen alsof zij een vroolijk feest vierden, dat zij zich eindelijk hadden opgetooid, alsof zij den goden een ofler wilden brengen. Demaratus, die zich bij den koning bevond, toen de bode hem verhaalde wat hij gezien had. herkende aan die beschrijving onmiddellijk zijne landslieden, de Spartanen; hij wist, dat dezen beslolen hadden, zich tot den laatsten ademtocht te verdedigen; want in zulk een geval tooiden zij zich, alsof zij naar een feest opgingen. Hij verklaarde, dat Xerxes op een hefligen tegenstand verdacht moest zijn; maar de koning geloofde dit niet. hij meende, gelijk latere geschiedschrijvers ons meedeelen, dat het razernij was, met zulk eene handvol volk zijn leger weerstand

Sluiten