Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sophisten te Athene. 531

hadden ten gevolge van de werkzaamheid der sophisten meer de opmerkzaamheid van het algemeen tot zich gelrokken. Deze sophisten — zoo noemde men 111 den beginne, zonder aan dien naam de minste afkeurende heteekenis te hechten alle leeraars der wijsbegeerte, die zich tot taak gesteld hadden. (Ie weienschap met de behoefte des volks in overeenstemming te brengen en haar aan de ontwikkeling van bet algemeen dienstbaar Ie maken — (rokken van land lot land, van stad lot stad. Overal verzamelden zij de leergieri»e jongelingen rondom zich, overal legden zij zich er op toe, hen met de welenschap hekend te maken, hen te bevrijden van de vooroordeelen, die aan het oude geloof aan de goden onafscheidelijk verbonden waren. Protagoras van Abdera behoorde tol de eerslen onder hen.

Te Athene onder luide toejuiching opgetreden, verkondigde hij hier zijne denkbeelden met het beste gevolg.

Hel was een overoud gebruik te Alliene, buitenlandsche geleerden gastvrij te ontvangen. Aanzienlijke familiën namen hen in hare woningen op en onthaalden hen op eervolle wijze. Zoo vond Protagoras en zoo vonden andere soplnsten na hem hier niet alleen een vriendelijke ontvangst, maar ook een vruchtbaren bodem voor het zaad. dat zij kwamen uilstrooien. Spoedi" evenwel verhief zich tegen beu een krachtige tegenstand.

De meeste sophisten kwamen uit Ionië en waren reeds hierom bij de burgers van Athene min of meer verdacht. De ernstige Atheners beschouwden net weelderige leven der Ioniërs als verwijfdheid; de Ionische zeden stonden Ie Athene 111 minachting, vooral sinds uit de Ionische steden schoone lichtekooien te Athene vvaren gekomen, die met de levenslustige jongelingen zeer vrij omgingen, terwijl overeenkomstig de oude Atheensche zeden de vrouwen en meisjes stil en ingelogen moesten leven.

De Ionische beschaving was in het oog der Atheensche burgers een heimelijk vergif en niet lang duurde het, of deze haat ging ook op de sophisten over op de mannen, die aan het persoonlijk bestaan der goden twijfelden en tedelooze krachten in hunne plaats wilden stellen; die verkondigden, dat niet Helios zijn schitterenden wagen langs hel uitspansel des hemels voerde, maar dat eene gloeiende steenmassa daaraan als zon schitterde; die den godsdienst, den staat en de goede zeden in gevaar brachten; wier leerstellingen de geheele maatschappij met ontbinding bedreigden, want indien er geene goden meer waren, wat zou den menscli dan langer heilig zijn?

Dezelfde bewijsgronden, waarmede de nieuwe, zuiverder denkbeelden op godsdienstig gebied in onze dagen door de voorstanders der oude godsdienstvormen bestreden worden, werden ook toen tegen de sophisten ingebracht.

on'stonden lievige twisten in den boezem der Atheensche burgerij, de partijen stonden scherp tegenover elkander, en terwijl sommigen er behagen in schepten, de nieuwe wijsbegeerte Ie verdedigen, hare voorstanders gastvrij te ontvangen en de door hen gehouden voordrachten aan te hooren, kantte de groote meerderheid der Atheensche burgers zich met verbittering tegen den invloed dezer nieuwigheidszoekers aan.

Ie midden van dezen strijd op geestelijk gebied was Pericles opgevoed, n het luns van zijn vader Xanthippus had hij ruimschoots gelegenheid gehad met de meest beroemde geleerden kennis te maken. Xanthippus, die door zijne vrouw met de machtige familie der Alcmaeoniden vermaagschapt was, ïad uitgebreide vriendschapsbetrekkingen met de inwoners van alle Grieksche anden aangeknoopt. Hij achtte het zijn plicht, zijn zoon in de gelegenheid te stellen de wereld te leeren kennen. In zijne woning gingen de sophisten mij in en uit. Reeds als jongeling nam de rijkbegaafde Pericles met hart en ziel deel aan den strijd, die rondom hem gevoerd werd. Eene brandende begeerte naar kennis vervulde hem; niet tevreden met het van oudsher overgeleverde, legde hij zich met onbezweken ijver op de nieuwere onderzoekingen toe. Hij werd een leerling der philosophen en sophisten, maar zijne dorst

34*

Sluiten