Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

550

afgekeurd werden; zelfs was, in strijd met de democratische beginselen, aan één hunner meer dan één ambt opgedragen. Ook de liefde van Pericles lot Aspasia ergerde vele strengdenkende Atheners en men (luisterde elkaar zelfs toe. dat Aspasia niet zijne eenige geliefde was, maar dat hij in de werkplaatsen van Phidias met menige andere Atheensche schoonen samenkomsten hield van teederen aard.

Een kluchtspeldichter, Hermippus, maakte alle zwakheden van Pericles zonder verschooning openhaar en noemde hem, met zinspeling op de menschen van verdacht karakter door wie hij omringd was, den vorst der satyrs. Ook Cratinus spaarde hem niet.

Nog altijd was Pericles te machtig, dan dat zijne vijanden het gewaagd zouden hebben, zich rechtstreeks tegen hem te verzetten. Toch begonnen zij den strijd, door tegen zijn liefste vrienden zware aanklachten in te brengen.

Nadat de propylaeën voltooid waren, verscheen op zekeren dag een kunstenaar, die onder de leiding van anderen in dienst van den staat werkzaam was geweest, Menon genaamd, bij het altaar op het midden der markt; hij smeekte oin bescherming, ten einde eene aanklacht tegen aanzienlijke personen in den staat te kunnen indienen; nadat deze hem toegezegd was, beschuldigde hij Phidias, dat deze van het goud, hetwelk hem toevertrouwd was om den mantel der godin Athene in het parthenon te vervaardigen, een gedeelte verdonkerd had. De gouden mantel werd van het beeld afgenomen en gewogen; niets ontbrak aan het gewicht. In weerwil hiervan werd Phidias als misdadiger naar de gevangenis gebracht. De valsche aanklager wierp hem eene tweede beschuldiging naar het hoofd, namelijk die van goddeloosheid, omdat de kunstenaar aan twee koppen op het schild der godin Athene eene treffende gelijkenis met Pericles en met hem zelf gegeven had. Eer het onderzoek van deze zaak ten einde was gebracht, stierf de groote kunstenaar, jegens wien het Atheensche volk zich aan de zonde der zwartste ondankbaarheid schuldig had gemaakt, in de gevangenis. De vijanden van Pericles ontzagen zich niet. het schandelijk gerucht uit te strooien, dat hij zelf zijn vriend had laten vergiftigen, om het aan het licht komen van schandelijke geheimen te verhinderen.

Een ander vriend van Pericles was de beroemde wijsgeer Anaxagoras; ook dezen werd de aanklacht naar het hoofd geworpen, dat hij den godsdienst des lands verloochend had. Door een dweepziek priester werd in de volksvergadering het besluit doorgedreven, dat allen, die over goddelijke dingen philosopheerden en den godsdienst hoonden, van staatsmisdaad beschuldigd zouden worden. Slechts met moeite gelukte het Pericles het leven van zijn vriend te redden; doch hem langer bij zich te houden was onmogelijk. Anaxagoras moest Athene verlaten en ook een ander wijsgeer en vriend van Pericles, Damon, werd als godloochenaar verbannen.

De vijanden van Pericles werden met den dag vermeteler; zij richtten thans hunne aanvallen op de liefste vriendin, de huisgenoot en vrouw van den staatsman, op de schoone Aspasia. De blijspeldichter Hermippus trad als openbaar aanklager tegen haar op. Hij beschuldigde haar van goddeloosheid, van zonde tegen de eerbaarheid en goede zeden; hij wierp haar zelfs voor de voeten, dat zij vrijgeborene Atheensche vrouwen in haar huis gelokt en daar tot schandelijke zedeloosheid verleid had. Pericles beminde Aspasia met zijn geheele hart, de aanklacht, tegen haar ingebracht, wondde hem op de gevoeligste plek van zijn gemoed; hij trad als verdediger zijner geliefde voor de gezworenen en het volk op. Met tranen in de oogen bezwoer hij de rechters, dat zij de beschuldiging niet zouden aannemen, en zij werden vermurwd. Aspasia werd vrijgesproken, ofschoon de tegenpartij alle middelen in het werk had gesteld om haar en daarmede Pericles zelf te doen veroordeelen.

Al deze gebeurtenissen vielen voor in den lijd, die onmiddellijk aan het gezantschap der Spartanen voorafging; deze hadden dus gegronde reden om te

Sluiten