Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De pest te Athene volgens de beschrijving van Thucydides. 555

hem de vereerende laak op, bij de plechtige teraardebestelling van de gesneuvelde burgers in naam van den staat de lijkrede te houden. Met rechtmatigen trots mocht Pericles in die rede op den gelukkigen uitslag wijzen, waarmee de pogingen der Atheners waren bekroond.

Het tweede jaar van den oorlog brak aan. De Atheners hadden zich voorbereid op een nieuwen inval der Spartanen, zij hadden hunne akkers niet weer bebouwd, en het Peloponnesische leger vond ten gevolge hiervan, toen het in de lente van 430 Attica binnenrukte, om andermaal het land te verwoesten, niets dan ledige, onbebouwde velden. De Spartanen zouden ook in dit tweede jaar waarschijnlijk geene voordeelen behaald hebben; doch daar trad eensklaps een geducht bondgenoot aan hunne zijde, die op wreeder wijze in de gelederen hunner vijanden woedde dan het zwaard ooit had kunnen doen: de pest.

Reeds sinds lang had men in Attica van eene moordende ziekte gehoord, die zoowel in Egypte als in eenige deelen van Azië een groot aantal slachtoffers velde en tot op het eiland Lemnos doorgedrongen was. Onmiddellijk nadat de scheepvaart was geopend, vertoonde de ziekte zich ook te Athene en wel het eerst in den Piraeüs. Zij vond daar een weltoebereiden bodem. Duizenden waren in eene beperkte ruimte opeengedrongen, de woningen waren deels benauwd en ongezond of bestonden deels uit tenten, die geene beschutting tegen de guurheid van het weer verleenden. Hierbij kwam, dat gedurende de heete zomerdagen het water schaarsch werd, dat de bevolking hare toevlucht moest nemen tot het troebele water der regenbakken.

De ziektegevallen namen toe en hadden meestal een doodelijken afloop; weldra breidden zij zich ook over het eigenlijke Athene uit. Armen en rijken, aanzienlijken en geringen, ouden en jongen werden door de pest aangetast, onder alle standen woedde de ziekte met dezelfde hevigheid. Thucydides, de geschiedschrijver van den Peloponnesischen oorlog, die zelf door de pest werd aangetast, maar het geluk had te herstellen, geeft ons de volgende schildering van de verschijnselen der ziekte:

«Zonder de minste aanleiding van buiten gevoelde hij. die door deze ziekte werd aangetast, in de eerste plaats eene hevige hitte in het hoofd, zijne oogen werden rood, zijne keel en tong waren met bloed doorloopen, zijn adem verspreidde een walgelijken stank. Hierop volgde een sterk hoesten en braken, dat met hevige pijnen gepaard ging. De zieken leden aan eene onuitstaanbare inwendige hitte, ofschoon aan liet lichaam uitwendig geene bijzondere hitte waar te nemen was. De dunste kleeding, zelfs lakens van het fijnste lijnwaad, waren hun ondragelijk; het liefst dompelden zij zich in koud water. Door een onleschbaren dorst gekweld, sleepten de lijders zich naar de regenbakken. Een uitslag van kleine blaren en zweren vertoonde zich; deze werd steeds erger, zware toevallen volgden hierop en op den zevenden of negenden dag verloste eindelijk de dood de ongelukkigen uit hun vreeselijk lijden. Ook zij, die den eersten aanval der ziekte doorstonden, bleven toch meestal nog lang daarna lijdend. Velen stierven later aan uitputting van krachten, anderen verloren het gebruik van hunne ledematen, anderen weer werden blind. Slechts weinigen herstelden volkomen."

Te vergeefs poogden de artsen de afschuwelijke ziekte te verdrijven, zij kenden geen middel tol hare bestrijding. Zelfs de wijze Ilippocrates, de meest beroemde Grieksche geneesheer van zijn lijd, stond radeloos. Eerst later bracht de opmerking, dat de smeden, die altijd in de nabijheid van het vuur werkten, het minst door de ziekte aangetast werden, hem op het denkbeeld van den heilzamen maatregel, om door groote. op de straten en pleinen aangelegde vuren de lucht der stad te zuiveren. In zwijgende wanhoop zagen de zieken zich aan een bijna onvermijdelijken dood ten prooi gegeven; nergens vonden zij een geneesmiddel; zelfs hunne bloedverwanten en vrienden ontvluchtten hen, om de besmetting te ontgaan.

Sluiten