Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedrog, door Alcibiades jegens de Spartaansche gezanten gepleegd. 581

de vadsige rust van den vrede een einde gemaakt werd, want in geval van een nieuwen oorlog mocht hij hopen spoedig tot een hoogen trap van roem en tot eene onbeperkte heerschappij over zijne medeburgers te zullen geraken. Zijne partij bestond dienvolgens uit allen, die in een nieuwen oorlog hun fortuin hoopten te maken.

Het bondgenootschap met Sparta moest verbroken worden; in plaats van Sparta poogde Alcibiades een anderen bondgenoot voor Athene te winnen, namelijk Argos, den staat, dien hij als den erfvijand van Sparta kende. Door zijn toedoen kwamen in de lente van 420 Argivische gezanten naar Athene, met het doel om een bondgenootschap aan te gaan. Zij ontmoetten daar afgevaardigden van Sparta, die in last hadden verontschuldigingen wegens hel verbond met de Boeötiërs in te brengen en de vriendschappelijke betrekking met Athene te herstellen. Gelukte dit laatste, dan lagen al de plannen van Alcibiades in duigen. Door middel eener schandelijke list wist deze de pogingen der gezanten te verijdelen.

Onder den schijn van vriendschap sprak hij met de Spartaansche afgevaardigden over de hun verleende volmacht; deze hadden in den raad der vijfhonderd verklaard, dat zij volmacht hadden 0111 de onderhandelingen ten einde te brengen. Alcibiades ried hun, dit in de volksvergadering niet te zeggen, dewijl het volk in dal geval buitensporige eischen zou stellen; hij beloofde hun daarentegen met een plechtigen eed, dat hij in weerwil hiervan de overgave van Pylus bewerken zou.

De volksvergadering werd gehouden, de gezanten traden op en verklaarden overeenkomstig den raad van Alcibiades, dat zij niet tot het sluiten van het verdrag gerechtigd waren. Thans wierp deze eensklaps het masker af. Hij riep het volk toe, dat het uit het dubbelzinnig gedrag der Spartaansche gezanten kon opmaken, hoe elke eerlijke onderhandeling met Sparta onmogelijk was, dat de afgevaardigden aan den raad der vijfhonderd verklaard hadden, van uitgebreide volmacht voorzien te zijn, terwijl zij thans het tegendeel verzekerden. Geen verbond langer met Sparta, maar daarentegen een verbond met Argos!

Met spot en schande overladen moesten de Spartaansche gezanten Athene verlaten. Het verdrag met Argos en diens bondgenooten, Elis en het Arcadische Mantinaea, werd voor een tijd van honderd jaren gesloten. Athene stond thans aan het hoofd van een verbond van Peloponnesische staten tegenover Sparta.

Alcibiades had voor een korten tijd de teugels van het bewind in de hoofdstad van Attica in handen. Weldra gebeurde er iets, dat tot het uitbreken van den oorlog aanleiding gaf. De Spartanen werden in het jaar 41!) gedwongen om gewapenderhand tegen Argos en zijne Peloponnesische bondgenooten te werk te gaan. Had Athene zijne geheele krijgsmacht aan het nieuwe bondgenootschap ter hulp gezonden, waarschijnlijk zou de overwinning dan niet aan de zijde der Spartanen zijn geweest. Maar dit geschiedde niet; de vredespartij met Nicias aan het hoofd had weer veld gewonnen en verhinderde hel nemen van doortastende maatregelen.

De vrede met Sparta moest bewaard blijven, hoewel men zich toch reeds in vollen oorlog met dien staat bevond, ja ofschoon Sparta al zijne kracht verzamelde om de bondgenooten van Athene te verslaan. Zoo werd dan slechts eene zwakke bende tot hulp der Argiven afgezonden en de Spartanen behaalden in Augustus 418, onder aanvoering van hun koning Agis, bij Mantinaea eene luisterrijke overwinning over de Argiven en Mantinaeërs.

Zelfs maakte de aristocratische partij te Argos zich door eene gelukkig uitgevoerde omwenteling voor een korten tijd weder van het bewind meester. Spoedig echter kwam het volk opnieuw in opstand en in den nazomer van 417 werd het verbond tusschen Argos en Athene hersteld. De Argiven bouwden lange muren tot aan de zee, om, naar het voorbeeld der Atheners, Argos tegen eiken aanval van de landzijde te beschermen.

Sluiten