Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het congres te Sparta.

Spartanen den roep van onoverwinnelijke dapperheid, die tot dusver door geheel Griekenland van hen uitgegaan was, langzamerhand geheel verloren. Het was zelfs zoover gekomen, dat Pelopidas in dezen oorlog gedaan had hetgeen vroeger onmogelijk werd geacht, door bij Tegyra met eene geringe macht eene meer dan tweemaal sterker legerbende der Spartanen geheel te verslaan.

Zoolang Athene en Thebe eensgezind bleven, hechtten zij de overwinning aan hunne wapenen, doch al te spoedig stak de oude naijver tusschen de beide steden liet hoofd op en werd hierdoor het bondgenootschap in de waagschaal gesteld. Thebe dong naar de onbeperkte heerschappij over geheel Boeotië, gelijk Athene die in Attica bezat. De steden, welke zich tegen deze pogingen verzetten, werden zonder verschooning aangetast en verwoest. Zulk een lot trof de beide, van oudsher met Athene verbonden sleden Plataeae en Thespiae; ze werden door de Thebanen overvallen en veroverd. De muren van Thespiae werden geslecht, terwijl Plataeae zelfs opnieuw, gelijk eenmaal vroeger geschied was. gansch en al verwoest werd.

De verdreven burgers moesten met vrouw en kinderen naar Athene vluchten, waar zij de hulp hunner oude bondgenooten inriepen. De steeds toenemende macht der Thebanen was thans in het oog der Atheners hoogst gevaarlijk. Niet alleen begonnen de eersten reeds de grondslagen eener zeemacht te leggen, maar zij bedreigden ook de onafhankelijkheid van Pliocis, terwijl de gelukkige strooptochten, door hen ondernomen, steeds nieuwe schatten naar Thebe brachten. Athene daarentegen verarmde aanhoudend, want de Atheensche handel leed zwaar onder een op de wijze van zeeroovers gevoerden oorlog, welken de Aegineten tegen hunne oude vijanden hadden ondernomen.

De Atheners poogden uit dien hoofde, door het sluiten van een voordeeligen vrede een einde aan den oorlog te maken; zij traden in onderhandeling met Sparta en zochten eindelijk den Perzischen koning aan. om zich nogmaals in de zaken der Grieken te mengen.

Te Sparta werd in het jaar 371 een congres van alle Grieksche staten bijeen geroepen. Ook de Thebanen verschenen daar, vertegenwoordigd door hun afgevaardigde Epaminondas. De onafhankelijkheid van alle Grieksche staten en steden, gelijk die door den vrede van Antalcidas was gewaarborgd, zou den grondslag van den thans te sluiten vrede uitmaken. Sparta en Athene waren bereid oin hierin toe te stemmen; ook Thebe was biertoe geneigd, doch onder ééne voorwaarde, namelijk dat zijne heerschappij over Boeötië erkend zou worden. Met dit doel vorderde Epaminondas, dat Thebe het verdrag evenzoo in naam van geheel Boeötië zou onderteekenen, als Athene het voor Attica en Sparta voor Laconië en Messenië onderteekend had.

Met zulk eene voorwaarde wilde noch Athene, noch Sparta genoegen nemen, dewijl Boeötië dan juist eene macht verkrijgen zou, die aan de beide bovengenoemde staten ernstige vrees inboezemde. Tevergeefs verdedigde Epaminondas den eisch van Thebe; in eene schitterende rede zetle hij uiteen, dat Sparta slechts in liet belang van zijne eigene heerschappij voor de onafhankelijkheid der Boeötische steden in de bres sprong, opdat niet andere staten even machtig zouden worden als Sparta zelf. Zijne woorden maakten wel op de overige gezanten, maar niet op de Spartaansche koningen eenigen indruk.

De lange redevoering moede, riep koning Agesilaüs eindelijk barsch: «Spreek ronduit, wilt gij elke der Boeötische steden in het bezit harer onafhankelijkheid laten, of niet?"

Epaminondas antwoordde met eene wedervraag: «Wilt gij elke stad van Laconië onafhankelijk laten?" Dit was zijn laatste woord. Agesilaüs brak, in plaats van te antwoorden, de onderhandelingen af. De Thebanen werden van de lijst der verbonden Grieksche steden geschrapt, de vrede werd buiten hen om tot stand gebracht en van nu af had Thebe zonder een enkelen bondgenoot den oorlog tegen Sparta te voeren.

Sluiten