Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Demosthenes en Phocion.

669

eens juist, mei liet woord: Demosthenes is de beste, Phocion de meest geduchte redenaar te Athene. Gedurende zijne lange loophaan als krijgsman had Phocion het Atheensche volk leeren kennen en verachten; hij kende het niet langer de geestkracht toe om aan een tegenstander als Philippus van Macedonië ernstigen weerstand te bieden. Door een weelderig, bijna uitsluitend aan zingenot toegewijd leven hadden de Atheners dien heldenmoed, die volharding, die zelfverloochening verloren, die hen vroeger schier onoverwinnelijk hadden gemaakt. Uit dien hoofde was Phocion een tegenstander van allen, die Athene aanspoorden om zich in nieuwe oorlogen te wikkelen; in het bijzonder echter verzette hij zich tegen Demosthenes, dien bij te minder achtte, wijl deze slechts een man van het woord, niet van de daad was.

ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

Oorlog tusschen Philippus eu de Olynthiërs. Demosthenes en zijne redevoeringen. Verovering van Olynthus. Het overwinningsfeest van Philippus. De volksredenaar Aeschines. De Atheensche gezanten bij Philippus. Sluwe onderhandelingen. Hel tweede Atheensche gezantschap. Philippus en de heilige oorlog. Vervloeking van de Phocensers. De Philippica van Demosthenes. Philippus' vrnchtelooze strijd tegen Perinthus en Byzantium.

De Macedcviische koning had in Thracië met gelukkig gevolg gestreden. De verdere uitbreiding van zijne zeemacht moest thans het eerste doel van zijn streven zijn en hiertoe was bet bezit van bet schiereiland Chalcidice met zijne drie ver in zee vooruitstekende landtongen voor hem van het hoogste belang. Zou bij er zich om bekommeren, dat bet met hem bevriende Olynthus hier uitgebreide bezittingen had? Deze gedachte kwam zelfs niet bij hem op; wat meer is, Olynthus zelt moest hem onderdanig worden. Aan de vriendschap der Olynthiërs had hij geen behoefte meer, maar wel aan de haven der stad en aan de rijke bezittingen der burgers.

Eene aanleiding tot den oorlog was licht te vinden. De beide halfbroeders van Philippus, die bij zijne troonsbestijging voor hem gevlucht waren, hadden te Olynthus eene schuilplaats gevonden. Dit was eene voldoende reden om hun den oorlog aan te doen; trouwens, aan zulk eene reden beeft het een veroveraar nog nooit ontbroken.

Met eene sterke krijgsmacht trok Philippus naar Chalcidice op. In den loop van twee jaren, (van 350 af) nam bij niet minder dan 32 Grieksche steden in. De steden werden verwoest, de inwoners als slaven weggesleept en door Macedoniërs vervangen. De oorlog met Olynthus zelf begon eerst in het jaar 349.

Het dreigend gevaar deed de Olynthiërs hunne oude vijandschap tegen Athene vergeten; zij zonden gezanten derwaarts, die op het sluiten van een verdedigend verbond aandrongen. In gloeiende taal ondersteunde Demosthenes hun aanzoek; bij die gelegenheid hield hij zijne drie beroemde Olynthische redevoeringen, waarin bij den baat der burgers tegen Philippus aanvuurde.

»Ik zal," zoo sprak hij, »niet met vele woorden van de geduchte macht van Philippus gewagen, om u door het aanvoeren van dien bewijsgrond tot het vervullen van uw onmiskenbaren plicht aan te sporen. Dit zou voor hem te veel eer, voor u te groote schande zijn. Ongelwijfeld zou hij ook in mijne eigene oogen geducht zijn, wanneer hij zijn tegenwoordig standpunt van inacht en aanzien door rechtvaardige middelen bereikt had. Maar hij is groot ge-

Sluiten