Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

672 Moedeloosheid der Atheners. Gezantschap. Vredesonderhandelingen.

lende Grieksche staten afgevaardigd; hij zelf behoorde tot hun getal. Maar de uitslag van die poging was zeer treurig. De wederzijdsche naijver der afzonderlijke staten maakte alle gemeenschappelijk handelen tegenover den buitenlandschen vijand onmogelijk. De gezanten keerden terug, zonder iels te hebben uitgericht.

Zou Athene alleen den oorlog ondernemen? Daartoe gevoelden de burgers zich te zwak. Ilun handel had van de Macedonische kaperschepen veel geleden, hunne bezittingen op de eilanden werden bedreigd, zelfs was men niet zonder reden beducht, dat stoutmoedige Macedonische scheepsbevelhebbers vroeger ol later een inval in Attica zouden wagen. De begeerte 0111 met l'liilippus vrede te sluiten ontwaakte bij bet volk en werd gevoed door vele aanzienlijke mannen, zoowel door de bloedverwanten van hen, die bij de inneming van Olynthus in de handen der Macedoniërs waren gevallen, als door de geheime vrienden van den koning, wiens goud ook in Athene niet zonder uitwerking gebleven was.

Kene bijzondere geneigdheid tot den vrede openbaarden de tooneelspelers Anstodemus en Neoptolemus, die liet Olympische feest van Philippus bijgewoond hadden, en die de beminnelijke eigenschappen van den koning en de achting en vriendschap, waarmede hij steeds van de Atheners gesproken had, niet genoeg konden roemen.

Det verlangen naar den vrede werd te Athene weldra algemeen, ook de vroegere, meest verbitterde vijanden- van Philippus verzetten zich niet langer daartegen; zelfs Demosthenes keurde dien goed.

Een gezantschap van tien mannen, waartoe ook Demosthenes, Aeschines, ue beide tooneelspelers — die, even als alle overige kunstenaars, te Athene de hoogste achting genoten — en andere aanzienlijke mannen behoorden, werd naar den Macedonischen vorst afgevaardigd. Philippus ontving de gezanten met innemende voorkomendheid; hij onthaalde hen luisterrijk, hoorde elk hunner in het bijzonder aan. en toen Demosthenes, gelijk Aeschines verhaalt, 111 zijne inleidende redevoering steken bleef, omdat alles wat hem omringde hem in verwarring bracht, trachtte de koning hem door vriendelijke woorden ï11, j" ,e sl"e'aMI- Doch in het geheim deed hij nog meer. Hij poogde de invloedrijkste leden van het gezantschap door omkooping voor zich te winnen en bet valt niet te betwijfelen, dat hij hierin bij Aeschines en anderen slaagde. I!ij Demosthenes, zijn meest verbitterden tegenstander, waagde hij zelfs deze poging niet: hij was verstandig genoeg 0111 te begrijpen, dat een Demosthenes daarvoor niet vatbaar was.

De mond des konings vloeide over van vriendschapsbetuigingen voor Athene; hij sprak zijn wensch, dat de vrede tot stand zou komen, met den meesten nadruk uit en beloofde, gezanten naar Athene te zullen zenden om vredes\oorstellen te doen. Nadat de Atheners vertrokken waren ging hij met zyn leger naar Ihracië op marsch, om daar den krijg voort te zetten; maar bij had beloofd, dat hij staande de onderhandelingen de Atheensche bezittingen 111 den Chersonnesus niet aanvallen zou.

^'.l. ge^a"tschap was Philippus hoogst welkom geweest, want juist in dit oogenblik lag hem alles aan de werkeloosheid der Atheners gelegen. Ten tweeden male zag hij zich thans in de gelegenheid om den sleutel van Griekenland, den pas der Thermopvlae, te bemachtigen.

De heilige oorlog had onafgebroken voortgeduurd en de strijdvoerende partijen ganschehjk uitgeput. Thebe was nauwlijks meer in staat den strijd voort te zetten; een groot deel van Doeötië bevond zich in de macht van de 1 hocensische huurtroepen. Maar ook de Phocensers verkeerden in een niet vee beteren toestand, de tempelschatten waren langzamerhand uitgeput en het geld om de huurtroepen te betalen ontbrak.

Phayllus was gestorven; zijn neef Phalaecus had in zijne plaats hel opperbevel aanvaard en den oorlog voortgezet. De Thebanen, die de hoop om zon-

Sluiten