Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

722 Philotas door den koning bij het leger aangeklaagd. Zijne pijniging.

geene misdaad bewust was, nam daaraan deel en werd door Alexander op het vriendelijkst behandeld: eerst laat in den avond ging het gezelschap uiteen. De veldheeren, die zich overeenkomstig de ontvangen uilnoodiging omstreeks middernacht naar den koning begaven, ontvingen bevel om terstond alle poorten der stad te doen bezetten. De wachtposten werden versterkt en verschillende kleine troepenafdeelingen afgezonden om allen, die men als vrienden van Dimnus kende, in hechtenis te nemen. Een trouw bevelhebber ontving in last om het huis van Philotas te omsingelen, hem zelf te boeien en gevankelijk naar het slot te voeren. Al deze bevelen werden gedurende den nacht uitgevoerd.

Reeds sinds lang had Alexander tot den dood besloten van den gehaten man, die zoo menigmaal op spottenden toon zijn twijfel omtrent de goddelijke aikomst des konings had uitgesproken; zelfs had de vorst in stilte bewijzen bijeengebracht, dat Philotas heimelijk zijn gezag ondermijnde. Elke vrijmoedige uitdrukking van den onvoorzichtigen veldheer was getrouw opgeteekend; Alexander had zich zelfs niet ontzien de schoone Antigone, eenè Macedonische hetaere, de geliefde van Philotas, om te koopen, opdat deze hem elk onbedacht woord des veldheers overbrengen zou.

Thans was de maat vol, thans was voor den koning het rechte oogenblik daar om zich te wreken. Toch scheen het gevaarlijk, den verdienstelijken man op te offeren, wanneer men niet in staat was het leger van de schuld zijns veldheers te overtuigen. Met het aanbreken van den dag riep Alexander. volgens oud Macedonisch gebruik, eene vergadering van liet leger bijeen, waarin hij zelf als aanklager optrad.

Hij beweerde, dal Philotas en Parmenio eene samenzwering tegen zijn leven op 't touw hadden gezet en dat Dimnus door hen omgekocht was. Nicomachus en Cebalinus werden opgeroepen om hunne geschiedenis te verhalen, het lijk van Dimnus werd aan de soldaten vertoond. Hierop ging Alexander over tot het opsommen van alle mogelijke bewijzen voor de schuld van Philotas; hij beriep zich op de woorden, door dezen in meer dan één vertrouwelijk gesprek geuit, op die, welke door Antigone verklapt waren, en eindelijk op een brief van Parmenio, dien men bij Philotas gevonden had en die, in algemeene uitdrukkingen vervat, wel zoo uitgelegd kon worden, alsof Parmenio booze plannen tegen Alexander smeedde.

Philotas was bij het leger niet bemind. Jegens zijne medeveldheeren had hij zich trotsch, jegens de soldaten dikwijls wreed en willekeurig gedragen. Deze omstandigheden kwamen thans den koning te stade. De opperbevelhebbers hitsten hel leger tegen den gevangene op, ten einde zich zoo bij Alexander bemind te maken. Coenus schroomde zelfs niet in heftige smaadreden tegen den aangeklaagde uit te varen. Met een woest geschreeuw eischte het leger de terechtstelling van Philotas. Doch hiermede alleen was Alexander niet gediend; nog één offer zou en moest aan zijne wraak gebracht worden: de grijze Parmenio, de vader van den beschuldigde.

Ook Parmenio behoorde tot de ontevreden veldheeren, ook hij, de oude dienaar van Philippus van Macedonië, had het menigmaal strengelijk afgekeurd, dat Alexander het vaderschap van Zeus boven dat van Philippus stelde. Hij stond aan het hoofd des legers in eene der belangrijkste provinciën, inMedië; werd hij door het aan zijn zoon voltrokken doodvonnis tot opstand geprikkeld, dan kon dit hoogst gevaarlijk worden. Derhalve zou en moest Parmenio hel lot van zijn zoon deelen. De pijnbank was een zeer geschikt middel om Philotas de bekentenis af te persen dat zijn vader zijn medeplichtige was.

In tegenwoordigheid van Coenus, Craterus en Hephaestion werd Philotas gefolterd. Ook Alexander woonde, achter een voorhangsel verborgen, de foltering bij. Men zegt, dat hij zich op minachtenden toon over den gefolterde uitliet, wijl deze zoo weinig standvastigheid betoonde, ja, dat bij lachte om de lafheid van den man, die zoo dikwijls met de meeste doodsverachting aan zijne zijde gestreden had. De langdurige en vreeselijke marteling ontperste

Sluiten