Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

726

Clitus door Alexander vermoord. Zijn berouw.

Clitus veraclille de Perzen, die zóó gemakkelijk door de Macedonische wapenen overwonnen waren, en lnj kon liet nooit zijn koning vergeven, dat deze de zeden en gewoonten van dit verachte volk zelf overnam en ook van zijne veldheeren verlangde, dat zij zijn voorbeeld zouden volgen. In het bijzijn van zijne medebevelhebbers had Clitus zich op dit punt meer dan eens met groote vrijmoedigheid uitgelaten; Alexander wist dit en droeg hierom zijn ouden vriend een heimelijken wrok toe; tot eene uitbarsting van zijn ongenoegen was het echter tot dusver niet gekomen. Een feest, waarbij volgens Macedonische gewoonte onmatig gedronken werd, gaf hiertoe aanleiding. De wijn had de tongen ontboeid. de onbeschaamde vleiers des konings gingen in hun grootspreken en pluimstrijken alle perken te buiten: zij vergeleken Alexander niet alleen met een god, zij beweerden, dat hij meer gedaan had dan Ileracles zelf. Clitus hoorde deze grootspraak een tijd lang zwijgend aan, doch eindelijk was hij niet langer in staat zijn toorn te bedwingen. Met luider stem berispte hij de goddeloosheid van hen, die zelfs de oude helden door het stof sleurden, om den koning te verheften. Hij sprak openlijk zijne verontwaardiging daarover uit, dat de welgevestigde roem van Philippus verkleind werd tegenover dien zijns zoons; hij verklaarde, dat Philippus dat leger uit het niet te voorschijn had geroepen, aan welks dapperheid alleen Alexander al zijne zegepralen dankte, dat Philippus' daden geheel zijn eigen werk waren geweest, doch dat Alexander de zijne op rekening moest stellen van zijn vader, van liet leger en van zijne veldheeren, van diezelfde krijgslieden, die hij thans verachtte, nadat hij den voortreffelijkste hunner, Parmenio, schandelijk had laten vermoorden.

Met verbeten woede hoorde Alexander deze woorden aan; doch toen Clitus ook van Parmenio gewag maakte en daardoor de scherpste beschuldiging tegen hem inbracht, eene beschuldiging, die des te dieper trof naarmate ze meer verdiend was, toen sprong hij woedend van zijn rustbed op. Hij greep naar zijn dolk, maar bij geluk had hij dien niet aan zijne zijde.

Met luider stem riep hij zijne lijfwacht, doch deze gehoorzaamde den in zijne dronkenschap razenden en tierenden koning niet. In persoon wilde hij zich op Clitus werpen, om hem te vermoorden, maar eenige veldheeren hielden hem terug, terwijl anderen Clitus aangrepen en uit de zaal geleidden, om zoo den vrede te herstellen. Clitus was door zijne eigene woorden zóó opgewonden, dat de toespraak zijner vrienden niet in staat was om hem tol bezinning te brengen; hij rukte zich van hen los, en keerde ten tweedenmale in de zaal terug, juist op het oogenblik. dat Alexander zich aan de hand der hem omringende veldheeren had ontworsteld. Terstond rukte de koning een soldaat, die in de nabijheid stond, de speer uit de handen; hiermede wierp hij zich op Clitus, wien hij het wapen door liet lichaam stiet, met den uitroep: »Ga Philippus en Parmenio dan gezelschap houden!"

De daad was gepleegd, Clitus zonk rochelend in elkander. Een oogwenk later kwam Alexander tot het besef van hetgeen hij gedaan had: hij had den redder van zijn leven, zijn trouwsten vriend met eigen hand vermoord. Jammerend wierp hij zich op het lijk; hij trok de speer uil de wond en wilde daarmede in radelooze wanhoop zich zelf dooden. Slechts met moeite verijdelden de veldheeren deze poging en brachten zij hem op zijn rustbed. Drie dagen lang sloot hij zich in zijn vertrek op, weenend en jammerend over zijne daad, vervuld met het bitterst berouw. Slechts met moeite konden zijne vrienden hem bewegen om weder voedsel lot zich te nemen en zijne vroegere bezigheden weer op te vatten.

Den philosoof Anaxarchus uit Abdera, een leerling van Democritus en een volleerd vleier, die als gunsteling des konings dezen vergezelde, gelukte het eindelijk, hem mei zich zelf te verzoenen. Om Alexander te troosten, schaamde Anaxarchus zich niet, lieni verwijten over zijne smart en zijn berouw te doen. »Zijt gij die Alexander," riep hij hem toe, »op wien de

Sluiten