Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

734 Het Macedonische leger verzet zich tegen verdere ondernemingen.

zouden voeren. De ijverzucht, welke zij tegen elkander koesterden, was het zekerste middel om hen voortdurend van de Macedoniërs afhankelijk te doen blijven. Opdat zij nooit in staat zouden zijn het juk des overheersehers af te werpen, stichtte Alexander daar eene reeks van nieuwe steden, sterke vestingen, waarin '>ij eene Macedonische en Grieksche bezetting legde, en uit welke een oproer steeds gemakkelijk onderdrukt kon worden. Twee dergelijke steden waren Bucephala en Nicaea aan den Hydaspes; de eerste dezer steden was genoemd naar het lievelingspaard des konings, dat in den laatsten veldslag gedood was.

Na Porus overwonnen te hebben wendde Alexander zich noord-oostwaarts, ten einde de krijgshaftige volksstammen, die ten noorden van Pendzjab woonden, te onderwerpen. Ook hier ontmoette hij een hardnekkigen tegenstand. Slechts na menig heet gevecht behaalde hij de zegepraal. De overwonnenen werden 'en gevolge hiervan met gruwelijke wreedheid behandeld. De meest oostelijk gelegen stad, welke Alexander veroverde, was Sangala; hij was thans doorgedrongen tot aan de rivier de Hyphasis, den laatsten stroom van Pendzjab. Aan de overzijde van den breeden en snelvlietenden stroom lag, volgens bet verhaal der Indiërs, eene uitgestrekte woestenij. Elf dagen had men noodig om deze door te trekken, dan eerst bereikte men eene reusachtige rivier, de Ganges genaamd. Machtige en krijgshaftige volksstammen, die vooral vele tot den oorlog algerichte olifanten bezaten, bewoonden de streken van den Ganges. Hun land bezat onmetelijke rijkdommen; het was het vruchtbaarste, het goudrijkste gedeelte van geheel Indië. Gingen de krijgshaftige stammen aan den Ganges voor onoverwinnelijk door, dit prikkelde de eerzucht van Alexander in des te sterker mate; hij gal derhalve bevel om deze rivier over te trekken.

Tot zijne verbazing stuitte hij hier op een onverwachten tegenstand. Veldheeren en soldaten morden over de vermoeienissen en ontberingen zonder lal, over de eindelooze marschen in onbekende streken, die van hen gevergd werden. Zij scholen in kleine troepen samen. Zij klaagden elkander hun leed, en de ontevredenheid, die zich in den beginne slechts fluisterend lucht gaf, werd spoedig op luiden toon uitgesproken. De soldaten verbonden zich jegens elkander onder eede om niet verder te trekken, zelfs wanneer de koning liet gebood.

Nauwelijks hoorde Alexander wat er omging, of hij haastte zich om zijne veldheeren tot eene vergadering bijeen te roepen. In krachtige bewoordingen sprak hij hun toe en spoorde hij hen aan om hem verder te volgen. Hij hield hun voor, dat zij niet ver meer verwijderd waren van den Ganges en van de zee in het oosten, van waar de zeeweg naar de Perzische golf en naar het Lybische strand leidde. Hij betoogde, dat alleen de grenzen, die de godheid aan de wereld gegeven had, de grenzen van het Macedonische rijk mochten zijn. Hij wekte zijne veldheeren op om hun tot dusver behaalden roem niet te vergeten en hem verder te volgen; wanneer hij de wereld overwonnen had, dan zou hij hen naar Macedonië terugvoeren, dan zou hij hen rijk maken, niet alleen aan roem, maar ook aan schatten. Alexander was gewoon, dat zijne toespraak met groote toejuiching ontvangen werd; thans echter was een diep stilzwijgen het eenig antwoord zijner veldheeren. Al waagde niemand hunner het een woord van tegenspraak te uiten, niemand ook gaf zijn bijval te kennen. Dit stilzwijgen was nog onaangenamer dan tegenspraak. Alexander drong dus bij zijne oude vrienden er op aan, dat zij spreken zouden, ook al waren zij van eene andere meening als hij; ook hieraan wilde hij het oor leenen.

Nu greep de oude Coenus moed. Vertrouwend op de vele door hem bewezen diensten nam hij het woord en verklaarde hij, niet alleen in zijn eigen naam, maar in dien van het geheele leger, dat het eindelijk tijd was om aan de veroveringen paal en perk te stellen. Hij herinnerde den koning,

Sluiten