Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verandering in de inrichting van het Macedonische leger. Opstand. 747

bare geschenken, waarmee de gunst huns konings hen bedacht had. waren met in staat hen in eene betere stemming te brengen. Het algemeen misnoegen onder de Macedonische krijgslieden was zóó groot, dat er niets meer noodig was dan eene geringe aanleiding om een openbaren opstand te doen uitbreken; en die aanleiding kwam spoedig genoeg.

Na een verkenningstocht, 0111 nauwkeurig den loop van den TWis te bepalen, vereenigde Alexander het geheele leger in de aan dezen stroom geegen stad Opis. De Aziatische krijgslieden hadden voldoende bewijzen van hun moed en hunne trouw gegeven; de koning had zijne oude Macedonische strijdgenooten dus niet meer noodig, dezen waren hem zelfs lastig geworden en derhalve stond zijn besluit vast, aan 10,000 hunner — de veteranen van het leger — hun afscheid te geven en hen naar het vaderland terug te zenden.

In de ui (gestrekte vlakte voor de stad verzamelde Alexander zijn leger, om zijn besluit bekend te maken. Hij deed dit in persoon. Op welwillenden toon sprak hij de soldaten toe. Hij verklaarde, dat hij hun eene blijde tijding had mee te deelen, namelijk, dat 10.000 man van de Europeesche troepen, die door hun langdurigen dienst, door hunne wonden en ontberingen het recht hadden verkregen om het rustelooze soldatenleven met de aangename rust in het vaderland te verwisselen, eervol ontslagen zouden worden.

Een woest geschreeuw beantwoordde deze mededeeling des konings. Hel algemeene misnoegen des legers brak in een storm van oproepige kreten los. Hij wilde zóó klonk het — alleen een leger van barbaren rondom zich zien; de Macedoniërs was hij moede; daarom had hij de 30.000 Aziaten onder de wapenen gebracht, daarom wilde hij de 10,000 veteranen naar nuis zenden. Zóó schreeuwden de soldaten en op smadelijken toon voegden zij er bij, dat hij hen allen maar ontslaan en in het vervolg met de Aziaten alleen de wereld veroveren moest; zijn goddelijke vader Zeus Ammon zou hem daarbij immers wel behulpzaam zijn!

Een oogenblik was Alexander verrast door den zoo plotseling opgestoken storm. Doch weldra kreeg hij zijne tegenwoordigheid van geest terug: ongewapend sprong hij van de tribune, van welke hij het woord gevoerd had, en drong hij midden in de gelederen door. Hij greep een paar van de hardste schreeuwers met ijzeren vuist aan en gaf hen aan zijne lijfwacht over; andere schreeuwers — in het geheel dertien — wees hij dezen aan, met het bevel om hen op staanden voet ter dood te brengen.

De soldaten waagden liet niet. tegenstand te bieden; alles werd eensklaps stil. Alexander keerde naar de tribune terug, waar zijne veldheeren en lijfwachten hem omringden. Nog eens nam hij het woord. »Ik spreek u nog eenmaal toe," zeide hij, »niet om u terug te houden, — gaat werwaarts gij wilt! — maar ik wil u doen zien. wat gij door mij geworden zijt." In bezielde taal schetste hij de schitterende zegepralen, waartoe bij het leger gevoerd had; hij herinnerde den soldaten, dat hij zelf in elk gevecht in het eerste gelid gestreden, dat hij alle ontberingen en gevaren met hen gedeeld had. dal zij den behaalden roem en de verworven schatten alleen aan hem dankten. Vervolgens besloot hij zijne toespraak met deze woorden: »En nu wilde ik de maat der weldaden, die ik u bewezen heb, volmeten, door hen. die den oorlog moede waren, naar hun vaderland terug te zenden, waar zij het voorwerp van ieders bewondering en de trots van hunne vaderstad zouden zijn. Maar gij wilt allen wegtrekken! Welaan, gaat dan heen, maar wanneer gij in het vaderland terugkomt, spreekt het dan luide uit, dat gij uw koning Alexander verlaten hebt, dat deze voortaan beschermd zal worden door de barbaren, die door u en hem overwonnen zijn. Maakt dit bekend, het zal u weinig roem bij goden en menschen doen inoogsten, — gaat!"

Zonder zijne soldaten verder met een blik te verwaardigen, steeg Alexander van de tribune af. "Ü snelde naar de stad terug en sloot zich in zijne vertrekken op, waar van nu af geen Macedoniër bij hem werd toegelaten. De

Sluiten