Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

clericale omgeving van de moeder des keizers, die, verbonden met kardinaal Rauscher, het concordaat had doorgezet, bereid was aan het nationaliteitsbeginsel offers te brengen, om te voorkomen dat er concessies aan het liberalisme werden gedaan, en de keizerin, de schoone Blizabeth van Heieren, op het betreden van geheel nieuwe wegen aandrong. In een staat als het toenmalige Oostenrijk hing de beslissing over politieke vraagstukken niet zelden van hof-intriges af. Maar deze eerste verbeteringen bleken op den duur weinig te beteekenen, de financieele toestand werd met den dag benauwender,

en het crediet van den staat was zoo gezonken, dat op een leening van 200 millioen slechts voor 76 werd ingeschreven. De nieuwe minister van financiën, Pleuer, een man van erkende bekwaamheid en karakter, verklaarde dat zonder afdoende hervormingen van verbetering der financiën geen sprake kon zijn. Nog onrustbarender was de toestand in Hongarije, waar van de eerste concessiën aan de protestanten onmiddellijk gebruik werd gemaakt tot het laten hooren van den eisch, om, in plaats der zoo pas door de regeering ingevoerde kerkelijke organisatie, de oude van voor 1849 te herstellen. Zelfs de conservatieve hooge adel sloot zich bij de beweging aan. De regeering trachtte door de benoeming van den algemeen populairen generaal Benedek, zelf een geboren Hongaar en protestant, tot opperbevelhebber en gouverneur-generaal van Hongarije de gemoederen tevreden te stellen, maar zonder veel vrucht. De beweging bleef te eerder aanhouden, daar de regeering de zelfstandigheid der voorheen aan de Hongaarsche kroon onderworpen landen, het Banaat,

Kroatië, Slavonië en Zevenbergen, handhaafde.

Ouder deze omstandigheden zag keizer Frans Joseph de noodzakelijk-Overgang tot heid in om de invloedrijkste personen des lands te raadplegen. In «oneeUtelil. Maart 1860 verscheen het patent, zooals men in Oostenrijk dergelijke regeeringsbesluiten noemde, waarbij de rijksraad, het reeds bestaande raadgevend lichaam, dat tot nog toe uitsluitend uit door den keizer voor hun leven benoemde leden bestond, werd uitgebreid door toevoeging van 38 voor zes jaar uit nominatiën van de verschillende landdagen door den keizer gekozen personen. Deze „versterkte rijksraad", zooals hij voortaan heette, zou regelmatig worden bijeengeroepen om te beraadslagen over de begrooting en de belangrijkste wetsontwerpen.

Voor de eerste maal deed de keizer de benoeming der leden geheel

Sluiten