Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Hongaarsche kroon, belast en ging terstond aan het werk om daar zijn federalistisch-aristocratische denkbeelden bij de inrichting van landdagen en bestuurslichamen te verwezenlijken. Dat beantwoordde allerminst aan de verwachting der liberalen, en van tevredenheid was bij hen al even weinig sprake als van dankbaarheid bij de Hongaren, die de gedane concessies volstrekt onvoldoende achtten. Zelfs zulke gematigde mannen als Deak weigerden aan de regeering hun medewerking. Toen dezen de hoogste rechterlijke betrekking, die van judex curiae, werd aangeboden, weigerde hij, onder verklaring, dat hij nog niet wettig als minister van justitie (in 18-18/9 onder Batthyanv) was ontslagen! De Hongaarsche kanselier Vay, een oud-conservatief, die in 1848 de zijde van het hof had gehouden, had dan ook hoegenaamd geen succes, toen hij met een voorloopig kiesreglement een landdag zocht tot stand te brengen. Het misnoegen der Hongaren was opnieuw opgewekt door de verklaring des keizers, dat Kroatië, Slavonië en Zevenbergen afzonderlijke landen zouden blijven. Wel werden het Banaat en oud-Servië weder bij Hongarije ingelijfd, maar het koninkrijk van Sint-Stephanus was en bleef geschonden, en dat kon geen Ilongaarsch patriot verduwen. De maatregelen der regeering wekten daarom alleen maar nieuwe oppositie op. Deak en Eotviïs. de twee oud-leden van het constitutioneele ministerie van 18-18, namen de leiding op zich van een lijdelijken tegenstand, waartegen geen regeering op den duur bestand was. Hun eisch was: terugkeer tot den toestand zooals die in 1848, voor het uitbreken van den strijd tusschen den keizer en de Hongaren, had bestaan. Alles wat daarna in Hongarije was geschied, was in hun oog onwettig en Frans Joseph daarom alleen feitelijk, niet wettelijk koning. De geheele natie, tot de meest conservatieve magnaten toe, werkten samen. Het was te voorzien dat geen belastingen zouden worden betaald, geen lichting van soldaten zou worden geduld, eer een in het oog der Hongaren wettige rijksdag was bijeen gekomen.

Terwijl de regeering tegenover Hongarije zich vruchteloos van de eene concessie tot de andere liet drijven, wekten de maatregelen van Goluchowski, om bij de samenstelling der landdagen van de overige landen de macht der regeering zoo weinig mogelijk te beperken en alleen aan den grondbezittenden adel invloed te verschaffen, den heftigen onwil der Öuitschers. Bij de stedelijke burgerijen vooral begonnen zich bedeukelijke verschijnselen te vertoonen. De keizer begreep dat het zoo

Sluiten