Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaruit aanleiding om hun ontslag te nemen Hun opvolgers de eeni-en die zich beschikbaar stelden, zagen in, dat er voor den keurvorst niet anders overbleef dan zich te schikken, en zoo was deze gedwongen toe te laten dat zij de grondwet van 1831 afkondigden en

zelfs verder daarnaar regeerden.

Zoo was in zekeren zin Olmütz gewroken en had Pruisen de^keurHessische quaestie naar den geest van het Duitsche volk beslist. Het conservatieve ministerie had hierin aan den eisch voldaan, dien e landdam aan zijn voorgangers had gesteld en zoo althans een grie er ÏÏX, weggenomen. Maat in de beroering «elke toen het la.nl vervulde oogstte het daarvoor weinig dank. Evenmin voor het doorlatten van het handelsverdrag tusschen het Duitsche Tolverbond en Frankrijk niettegenstaande den tegenstand der Groot-Duitschers en van Oostenrijk, welke het sluiten van dit verdrag hadden willen uitstellen tot dat de vraag der uitbreiding van het folverbond tot Oostenrijk zou beslist zijn. Men zal zich herinneren hoe in 18o4 die beslissing tot over twaalf jaar was uitgesteld. In Oostenrijk had men echter den moed niet opgegeven wegens de aanvankelijke nederlaag, en de Groot-Duitsche partij spande alle krachten in voor de voorbereiding van een nieuwen aanval op het bolwerk der Klein-Duitschers.

Schmerling was natuurlijk een ijverig voorstander van de uitbreiding, omdat daardoor in de eerste plaats aan Pruisen de machtigste hefboom ziiner Klein-Duitsche staatkunde werd ontrukt, en tegelijk het zeventigmillioenenrijk in economischen zin zou zijn tot stand gebracht, wat natuurlijk een ontzaglijken invloed op den uitslag van den politieken strijd hebben zou. Sedert zijn optreden was het Weener kabinet iiverig in de weer om het plau, dat men in 1854 had moeten laten vallen in 1866 te verwezenlijken. Even natuurlijk zag elke Pruisische' patriot in die verwezenlijking den ondergang, terwijl ieder Duitscher, die met den werkelijken toestand der Oostenrijksche monarchie bekend was, de onmogelijkheid moest inzien om landen van zoo geheel andere, zoo veel lagere economische ontwikkeling en zoo geheel andere belangen dan de meeste deelen dier monarchie, in één tolverbond met Duitschland te vereenigen. Had men alleen de Duitsch-Oostenrijksche lauden kunnen opnemen, dan ware het nog mogelijk geweest, maar geen Oostenrijker, laat staan een centralist als Schmerling, zou daarin kunnen berusten, het ware de bezegeling van

Sluiten